DE STANK UIT TRAUMAKAMER 2 WAS ONVERDRAAGLIJK
News Story

DE STANK UIT TRAUMAKAMER 2 WAS ONVERDRAAGLIJK

0 weergaven

DE STANK UIT TRAUMAKAMER 2 — NIVEAU -2

DEEL 4

Alle lichten gingen uit.

Deze keer bleef zelfs de noodverlichting donker.

Een seconde lang hoorde ik niets.

Toen:

Tik.

Een druppel water viel ergens in de gang.

Tik.

Nog één.

Ik voelde Marcus' hand mijn arm vastpakken.

"Sarah, blijf hier."

"Nee."

"Dat was geen suggestie."

Ik keek hem aan.

"Daar beneden zit een kind."

"En daar beneden kan ook iemand zitten die ons probeert te lokken."

Ik keek naar Clara.

Ze stond nog steeds doodstil.

"Jij zei dat je Elias gisteren hebt gezien."

Ze knikte.

"Waar?"

"Beneden."

"Waarom heb je het nooit gemeld?"

Haar ogen vulden zich met tranen.

"Omdat ik bang was."

"Voor wie?"

"Voor iedereen."

Op dat moment sprong één lamp aan.

Aan het einde van de gang.

Daarna een tweede.

En een derde.

Een rood spoor van noodverlichting leidde naar de lift.

De deuren stonden open.

Binnen lag een kleine zwarte kinderschoen.

Ik herkende hem onmiddellijk.

Hij had aan de voet van de jongen gezeten.

"Zijn schoen..."

Marcus keek naar mij.

"Dan weten we waar hij heen is."

Ik liep naar de lift.

"Sarah!"

Ik draaide me om.

Clara keek me wanhopig aan.

"Als je naar beneden gaat, moet je één ding beloven."

"Wat?"

"Vertrouw niemand."

De liftdeuren sloten zich achter ons.

Marcus drukte op de knop voor de kelder.

Het lampje ging niet aan.

"Bestaat niveau -2 volgens jou?" vroeg hij.

"Nee."

"Maar je gaat er wel heen?"

Ik keek naar het paneel.

"Als iemand een kind daarheen heeft gebracht, bestaat het."

Hij pakte zijn zaklamp.

"Dan zoeken we het."

De lift begon te dalen.

Eén verdieping.

Twee.

Drie.

Toen stopte hij.

De deuren gingen open.

Een ijskoude lucht stroomde naar binnen.

Geen ziekenhuisgeur.

Geen bleekmiddel.

Geen desinfectie.

Alleen vocht.

Roest.

En iets wat ik onmiddellijk herkende.

Dezelfde zoete, rotte geur die uit het gips was gekomen.

Marcus keek naar mij.

"Dat ruik je ook."

Ik knikte.

"Ja."

We stapten uit.

Achter ons sloten de deuren.

Een smalle betonnen gang strekte zich voor ons uit.

Aan beide kanten zaten metalen deuren.

Geen namen.

Geen nummers.

Alleen kleine kijkvensters.

Ik liep langs de eerste.

Leeg.

De tweede.

Leeg.

De derde.

Ik stopte.

Achter het glas stond een kinderbed.

Leeg.

Maar op de muur ernaast stonden tientallen kindertekeningen.

Bomen.

Huizen.

Families.

Op één tekening stond een jongen met een blauwgekleurde arm.

Onder de tekening stond:

ELIAS.

Ik voelde mijn maag samenknijpen.

"Marcus..."

Hij kwam naast me staan.

"Dit is onmogelijk."

Ik wees naar de tekening.

"Die is niet oud."

De inkt was nog vers.

Marcus keek naar de vloer.

Daar lagen kleine voetafdrukken.

Blootsvoets.

Vers.

We volgden ze.

De gang werd smaller.

Toen hoorden we iets.

Een zacht gehuil.

"Help..."

Ik begon sneller te lopen.

"Dat is hem."

"Sarah, wacht."

Maar ik rende al.

De voetafdrukken eindigden bij een zware metalen deur.

Ik trok eraan.

Op slot.

"Ga achteruit."

Marcus zette zijn schouder tegen de deur.

Eén keer.

Twee keer.

Bij de derde klap sprong het slot.

De deur vloog open.

Ik stapte naar binnen.

En bevroor.

De jongen zat op een stoel.

Zijn handen waren vastgebonden.

Zijn gezicht was bleek.

Maar hij leefde.

"Mama..."

Ik rende naar hem toe.

"Het is goed."

Ik maakte zijn handen los.

"Waar is je moeder?"

Hij wees naar de andere kant van de kamer.

Daar stond Martha.

Ze zat op de grond.

Haar handen waren bebloed.

"Niet doen..."

Ze keek naar mij.

"Niet hem wakker maken."

Ik keek achter haar.

Daar stond een tweede bed.

Onder een wit laken lag een klein lichaam.

Marcus trok zijn wapen.

"Wie ligt daar?"

Martha schudde haar hoofd.

"Dat wil je niet weten."

Ik liep langzaam naar het bed.

"Sarah," zei Marcus.

Ik bleef staan.

"Niet aanraken."

Maar iets trok me ernaartoe.

Ik pakte de rand van het laken.

En trok het langzaam naar beneden.

Een jongensgezicht verscheen.

Bleek.

Onbeweeglijk.

Donker haar.

Een klein litteken boven zijn wenkbrauw.

Ik kende dat gezicht.

Ik had het drie jaar geleden gezien.

Op foto's.

In medische dossiers.

Op een overlijdensbed.

Mijn benen werden slap.

"Elias..."

Marcus kwam naast mij staan.

Hij keek naar het lichaam.

"Is dat..."

"Ja."

Martha begon te huilen.

"Dat is mijn zoon."

Ik draaide me naar haar om.

"Maar de jongen daar..."

Ik wees naar het achtjarige kind.

"Wie is hij?"

Martha keek naar hem.

De jongen sloeg zijn ogen neer.

"Zijn broer."

Ik voelde mijn adem verdwijnen.

"Broer?"

Martha knikte.

"Elias had een tweelingbroer."

Marcus keek verbaasd.

"Waarom staat dat nergens geregistreerd?"

"Omdat mijn man ervoor zorgde dat niemand wist dat hij bestond."

"Waarom?"

Martha antwoordde niet.

De jongen begon plotseling te schreeuwen.

"Niet vertellen!"

Ik hurkte naast hem.

"Wat mag je niet vertellen?"

Hij keek naar het lichaam onder het laken.

Toen fluisterde hij:

"Dat Elias niet de eerste was."

Een ijzige stilte viel.

"Wat bedoel je?"

Hij wees naar een kast in de hoek.

Daar lagen tientallen metalen plaatjes.

Identieke plaatjes.

Met namen.

Ik liep ernaartoe.

Mijn vingers begonnen te trillen.

Eén.

Twee.

Tien.

Twintig.

Kindernamen.

Sommige waren doorgestreept.

Andere hadden een datum.

En sommige...

hadden mijn naam erbij.

Ik trok een plaatje uit de stapel.

Daar stond:

SARAH JENKINS — PROJECT 14

Mijn hart stopte bijna.

Marcus pakte het uit mijn hand.

"Wat is dit?"

Ik wist het niet.

Of misschien wilde ik het niet weten.

Toen klonk er achter ons een deur.

Langzaam.

Krrrreeeeek.

We draaiden ons om.

Een man stond in de deuropening.

Dr. Thomas Bennett.

Hij hield een injectiespuit in zijn hand.

"Leg je wapen neer, Vos."

Marcus richtte zijn pistool op hem.

"Blijf staan!"

Thomas keek niet naar hem.

Zijn ogen bleven op mij gericht.

"Sarah..."

"Waar is Elias?"

Thomas keek naar het lichaam.

"Dat is niet Elias."

Mijn bloed werd koud.

"Wat?"

Hij wees naar de jongen naast mij.

"Dat kind daar..."

Hij slikte.

"...is de enige echte Elias."

De jongen keek op.

En zei met een trillende stem:

"Papa..."

Thomas liet de injectiespuit vallen.

Maar voordat iemand kon reageren, klonk er boven ons een zware explosie.

De muren schudden.

Stof viel van het plafond.

Alle deuren in de gang sprongen tegelijk open.

En vanuit tientallen donkere kamers klonken kinderstemmen.

"Help ons..."

Thomas keek naar mij.

"Ze hebben ons gevonden."

"Wie?"

Hij keek naar het metalen plaatje met mijn naam.

"De mensen die jou drie jaar geleden hebben laten denken dat je een dokter was."

Ik verstijfde.

"Wat bedoel je?"

Thomas keek naar mij alsof hij wist dat één antwoord mijn hele leven zou vernietigen.

Toen zei hij:

"Sarah..."

"Jij was niet hun arts."

"Jij was hun eerste proefpersoon."