DE STANK UIT TRAUMAKAMER 2 WAS ONVERDRAAGLIJK
News Story

DE STANK UIT TRAUMAKAMER 2 WAS ONVERDRAAGLIJK

0 weergaven

DE STANK UIT TRAUMAKAMER 2 — DE VROUW OP DE FOTO

DEEL 11

Ik bleef naar de deur kijken.

"Sarah..."

De stem was verdwenen.

Maar ik wist dat ik haar had gehoord.

Mijn moeders stem.

Ik pakte de tweede foto opnieuw.

De vrouw op de foto stond achter mijn ziekenhuisbed.

Donker haar.

Een witte jas.

Een klein litteken boven haar rechteroog.

Ik kende haar gezicht niet.

Maar iets in mij herkende haar wel.

Niet als herinnering.

Als instinct.

Ik draaide de foto om.

Daar stond een datum.

14 augustus 1993.

En daaronder:

SUBJECT ZERO — TRANSFER COMPLETED.

Mijn handen begonnen te trillen.

"Transfer?"

Ik keek naar de eerste foto.

Mijn moeder.

Thomas.

De baby.

En die onbekende vrouw.

Toen zag ik iets wat ik eerder niet had opgemerkt.

Op de achtergrond stond een bord.

Een laboratoriumcode.

T-02.

Traumakamer 2.

Mijn maag draaide zich om.

Het begon daar.

Niet drie weken geleden.

Niet drie jaar geleden.

Maar drieëndertig jaar geleden.

Mijn telefoon ging.

Ik schrok.

Een onbekend nummer.

Ik nam op.

"Hallo?"

Een kinderstem antwoordde.

"Dokter Sarah?"

Ik herkende de stem.

Elias.

"Waar ben je?"

"Bij Marcus."

"Is alles goed?"

Een stilte.

Toen fluisterde hij:

"Nee."

"Wat is er?"

"Hij heeft een meisje gevonden."

Mijn hart sloeg sneller.

"Wie?"

"Eén van de kinderen."

"Waar?"

"Onder het ziekenhuis."

Ik ging rechtop staan.

"Maar het laboratorium is afgesloten."

"Niet dit laboratorium."

Ik voelde een koude rilling.

"Waar dan?"

Elias fluisterde:

"Onder jouw huis."

Mijn mond viel open.

"Wat?"

"Er is een kamer."

"Hoe weet je dat?"

"Het meisje zei dat jij daar geboren bent."

Ik kon nauwelijks ademen.

"Wie is dat meisje?"

Elias zweeg.

Toen zei hij:

"Ze noemt zichzelf Subject Zero."

Mijn hart stopte bijna.

"Dat ben ik."

"Nee."

Zijn stem werd zachter.

"Ze zegt dat jij de kopie bent."

De verbinding viel weg.

Ik bleef naar mijn telefoon staren.

Een kopie.

Dat woord bleef door mijn hoofd gaan.

Ik pakte mijn jas.

Mijn autosleutels.

En de envelop.

Ik wist dat ik niet alleen moest gaan.

Maar als dit waar was...

kon ik niemand meer vertrouwen.

* * *

Twintig minuten later stond ik voor het huis waarin ik mijn hele jeugd had gewoond.

Het huis van Martha.

Nu leeg.

De politie had het verzegeld.

Ik liep naar de voordeur.

Het zegel was gebroken.

Ik trok mijn wapen.

Langzaam stapte ik naar binnen.

Alles was donker.

De woonkamer zag eruit zoals ik hem me herinnerde.

De oude bank.

De boekenkast.

De familiefoto's.

Maar nu zag ik details die ik vroeger nooit had opgemerkt.

Een foto van mij als kind.

Een foto van Martha.

En daarachter...

een foto van mijn moeder.

Ik trok hem eruit.

Op de achterkant stond:

"ZE MAG HET HUIS NOOIT VERLATEN."

Mijn adem stokte.

Ik liep naar de kelder.

De deur zat op slot.

Maar ik kende de code.

Zonder te weten waarom.

051293.

De deur klikte open.

Ik verstijfde.

"Hoe wist ik dat?"

Achter de deur liep een trap naar beneden.

Heel diep.

Veel dieper dan de kelder ooit had kunnen zijn.

Ik daalde af.

Tien treden.

Twintig.

Dertig.

Toen hoorde ik stemmen.

Een man.

Een vrouw.

En een kind.

Ik stopte.

"Ze komt eraan."

De mannenstem.

Thomas.

Nee.

Dat kon niet.

Hij was dood.

Ik liep verder.

De gang eindigde bij een metalen deur.

Er zat een klein raam in.

Ik keek naar binnen.

Mijn adem stokte.

Daar stond een meisje.

Ongeveer acht jaar oud.

Ze had donker haar.

Bleke huid.

En een klein litteken boven haar rechteroog.

Hetzelfde als de vrouw op de foto.

Ze draaide zich om.

En keek recht naar mij.

"Sarah."

Ik kon geen woord zeggen.

Ze liep naar het glas.

"Je bent eindelijk gekomen."

"Wie ben jij?"

Ze glimlachte.

"Dat weet je."

"Nee."

"Jawel."

Ze legde haar hand tegen het glas.

Ik deed onbewust hetzelfde.

Op het moment dat onze handen elkaar bijna raakten, begon mijn pols te branden.

De donkere lijn verscheen opnieuw.

Maar deze keer...

verscheen dezelfde lijn op haar arm.

Ik trok mijn hand terug.

"Wat gebeurt er?"

Het meisje keek me rustig aan.

"Wij zijn verbonden."

"Wie heeft jou hier gebracht?"

Ze keek achter zich.

Daar stond een oude ziekenhuisfoto.

Mijn moeder.

Thomas.

Cole.

En nog iemand.

Dezelfde onbekende vrouw.

"Mijn vader."

"Wie is je vader?"

Ze glimlachte.

"Dat is het probleem."

Ze wees naar de foto.

"Je kent hem al."

Ik keek opnieuw.

Toen zag ik het gezicht van de vierde persoon.

Mijn adem stokte.

Het was Marcus.

Niet zoals hij er nu uitzag.

Veel jonger.

Misschien achttien jaar oud.

Hij stond naast mijn moeder.

Met een baby in zijn armen.

"Marcus..."

Het meisje knikte.

"Hij heeft ons allemaal geholpen."

Ik voelde mijn hart bonzen.

"Maar waarom werkt hij nu voor de politie?"

"Omdat hij zich niet meer herinnert."

"Wat niet?"

"Dat hij één van hen was."

Achter mij klonk plotseling een klik.

Ik draaide me om.

Marcus stond boven aan de trap.

Zijn pistool was op mij gericht.

Zijn gezicht was emotieloos.

"Sorry, Sarah."

Ik zette een stap achteruit.

"Marcus?"

Hij keek naar het meisje achter het glas.

"Ze mag niet naar buiten."

"Waarom?"

Hij antwoordde niet.

Toen klonk achter hem een tweede stem.

Een stem die ik nooit meer had verwacht te horen.

"Omdat zij niet Subject Zero is."

Ik draaide me om.

Dr. Richard Cole stond achter Marcus.

Levend.

Zijn gezicht was bebloed.

Maar hij glimlachte.

"Zij is Subject Zero's dochter."

Ik keek naar het meisje.

Toen naar mijn eigen arm.

Cole stapte dichterbij.

"En jij..."

Hij wees naar mij.

"...bent haar moeder."

Mijn hart leek stil te staan.

Het meisje glimlachte door het glas.

En zei zacht:

"Hallo, mama."

Ik kon alleen maar fluisteren:

"Dat is onmogelijk."

Cole lachte.

"Dat zei je moeder ook."

Toen ging het licht uit.

En vanuit de kamer achter het meisje klonk een babygehuil.

Cole fluisterde:

"Er zijn niet twee proefpersonen."

"Er zijn drie generaties."

"En jij bent pas de tweede."