DEEL 7 — “JE HAD SOPHIE NOOIT MOGEN VINDEN”
De hand op mijn schouder verdween.
Ik draaide me om en zag niets.
“Wie is daar?”
Geen antwoord.
Toen sprongen de noodlampen aan.
De kamer kwam langzaam weer in beeld.
Anna stond met haar wapen gericht op de gang.
Twee agenten controleerden de deuren.
Maar de persoon die achter mij had gestaan, was verdwenen.
Sophie hield haar drie dochters tegen zich aan.
“Zijn jullie allemaal hier?”
Lotte knikte.
Emma huilde.
Fleur trilde over haar hele lichaam.
Ik liep naar hen toe.
“Het is voorbij.”
Sophie keek me aan.
“Nee, papa.”
Ze schudde haar hoofd.
“Het is nog maar net begonnen.”
Anna kwam naar ons toe.
“Niemand verlaat dit gebouw.”
“Waarom niet?”
“Omdat iemand hier binnen is geweest zonder dat mijn mensen hem hebben gezien.”
Ze keek naar de ramen.
“En dat betekent dat hij waarschijnlijk nog steeds in het gebouw is.”
Pieter stond tegen de muur.
Hij zag eruit alsof hij ieder moment kon instorten.
Anna draaide zich naar hem om.
“Jij blijft hier.”
Pieter knikte.
Toen klonk er vanuit de gang een harde klap.
Iedereen schrok.
Een agent rende naar buiten.
Tien seconden later hoorden we:
“POLITIE! BLIJF STAAN!”
Daarna een worsteling.
Een deur sloeg dicht.
Anna rende erachteraan.
Ik bleef bij Sophie en de meisjes.
“Wie is hij?” vroeg ik.
Sophie keek naar de gang.
“Ik weet het niet.”
“Je zei dat iemand achter Thomas zat.”
“Ja.”
“Wie?”
“Een man die ik nooit persoonlijk heb gezien.”
“Maar je kent zijn stem.”
Sophie knikte.
“En ik weet dat hij toegang heeft tot bijna alles.”
“Tot wat?”
“Bankrekeningen. Politiedossiers. Camera's.”
Ik keek haar aan.
“De politie?”
“Niet de hele politie.”
Ze slikte.
“Maar genoeg mensen.”
Op dat moment kwam Anna terug.
Haar gezicht was ernstig.
“Hij is ontsnapt.”
“Hoe?”
“Een nooduitgang.”
“Hebben jullie hem gezien?”
“Een seconde.”
“Wie was het?”
Anna keek naar Sophie.
“Een man.”
“Wie?”
“Hij droeg een politie-uniform.”
De kamer werd stil.
“Een agent?” vroeg ik.
“Niet een van mijn mensen.”
Anna pakte haar telefoon.
“Zijn gezicht stond niet op onze interne lijst.”
Sophie fluisterde:
“Dat is hoe ze werken.”
“Wie?”
“Ze gebruiken mensen die officieel nergens bestaan.”
Ik keek naar mijn dochter.
“Hoe lang wist je dit?”
“Een paar maanden.”
“Waarom heb je mij niets verteld?”
“Omdat ik dacht dat ik het zelf kon oplossen.”
Ik pakte haar hand.
“Je had me moeten bellen.”
“Ik wilde je niet in gevaar brengen.”
“En nu?”
Ze keek naar haar kinderen.
“Nu weet hij dat jij het weet.”
Op dat moment kreeg Anna een telefoontje.
Ze luisterde.
Haar gezicht veranderde.
“Wat?”
Ze liep een paar meter weg.
Na enkele seconden kwam ze terug.
“Willem, we hebben een probleem.”
“Wat?”
“Je bankrekening.”
“Wat is daarmee?”
“Er zijn zojuist drie grote transacties uitgevoerd.”
Ik begreep het niet.
“Door wie?”
“Door jou.”
Mijn adem stokte.
“Dat kan niet.”
“Volgens het systeem wel.”
Ze liet haar scherm zien.
Er was zojuist €2,4 miljoen overgemaakt.
Mijn digitale handtekening stond eronder.
Ik keek naar Sophie.
“Dit is onmogelijk.”
Sophie pakte haar telefoon.
“Papa, kijk naar het tijdstip.”
Ik keek.
22:17.
Ik keek naar de klok aan de muur.
22:17.
“Maar ik stond hier.”
“Precies.”
Anna keek naar het transactienummer.
“Dit is geen gewone bankoverschrijving.”
“Wat dan?”
“Een interne bedrijfsboeking.”
Sophie werd bleek.
“Ze proberen het geld naar een andere rekening te verplaatsen.”
“Welke rekening?”
Anna las het nummer.
Sophie schudde haar hoofd.
“Die rekening ken ik.”
“Van wie?”
Sophie keek naar mij.
“Van mijn vader.”
“Wat?”
“Niet jouw persoonlijke rekening.”
Ze wees naar het nummer.
“De oude stichting.”
Ik herinnerde me die naam.
De Vries Foundation.
Een stichting die mijn vader twintig jaar geleden had opgericht.
“Die stichting bestaat al jaren niet meer.”
“Dat dacht je.”
Sophie pakte haar laptop.
Ze logde in op een oud account.
Na enkele seconden verscheen een document.
“De stichting is nooit opgeheven.”
Mijn mond viel open.
“Wie beheert hem dan?”
Sophie draaide het scherm naar me.
Er stond één naam.
Pieter de Vries.
Ik draaide me om.
Pieter stond nog steeds tegen de muur.
“Jij?”
Hij keek naar het scherm.
“Ik kan het uitleggen.”
“Je hebt me voorgelogen.”
“Ik wilde je beschermen.”
“Dat zeg je steeds!”
Pieter begon te huilen.
“Willem, luister naar me.”
“Hoe lang beheer jij die stichting?”
“Vijftien jaar.”
“Vijftien?”
“Ja.”
“En hoeveel geld staat erop?”
Pieter zweeg.
Anna keek hem aan.
“Hoeveel?”
“Ongeveer negen miljoen.”
Mijn benen werden slap.
“Waar komt dat geld vandaan?”
Pieter antwoordde niet.
Sophie liep naar hem toe.
“Zeg het.”
Pieter keek naar haar.
“Het kwam van je vader.”
“Mijn vader?”
“Je grootvader.”
Sophie fronste.
“Waarom zou opa geld verbergen?”
Pieter slikte.
“Omdat hij wist dat het familiebedrijf ooit zou worden aangevallen.”
Ik keek naar mijn broer.
“Mijn vader wist hiervan?”
“Ja.”
“Waarom heeft hij mij niets verteld?”
“Omdat hij dacht dat jij het bedrijf zou verkopen.”
Ik schudde mijn hoofd.
“Dat zou ik nooit doen.”
“Ik weet het.”
“Dan waarom?”
Pieter keek naar Sophie.
“Omdat hij bang was dat iemand uit de familie je zou verraden.”
Mijn hart bonsde.
“Wie?”
Pieter keek naar mij.
Toen naar Sophie.
“Je vrouw.”
Ik verstijfde.
“Mijn vrouw?”
“Je moeder.”
Ik kon niets zeggen.
Mijn moeder was twintig jaar geleden overleden.
Sophie keek verbijsterd.
“Wat heeft oma hiermee te maken?”
Pieter antwoordde:
“Ze heeft ooit aandelen overgedragen aan een onbekende investeerder.”
“Wie?”
“Dat weten we niet.”
Anna keek hem aan.
“Maar jullie hebben wel een naam.”
Pieter knikte.
“Ja.”
“Welke?”
Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn.
“De persoon die de aandelen kocht…”
Hij stopte.
Toen draaide hij het scherm naar ons.
Ik keek naar de naam.
Mijn hart leek te stoppen.
MILA VERMEER.
Sophie schudde haar hoofd.
“Dat kan niet.”
“Waarom niet?” vroeg ik.
“Omdat Mila toen nog een kind was.”
Pieter keek naar haar.
“Precies.”
Anna fronste.
“Hoe oud was ze?”
“Elf.”
Niemand sprak.
Sophie begon langzaam achteruit te lopen.
“Dan is Mila niet de echte eigenaar.”
“Wie wel?” vroeg ik.
Pieter keek naar mij.
“De persoon die haar naam gebruikte.”
Op dat moment ging de telefoon van Sophie.
Een onbekend nummer.
Ze nam op.
Niemand sprak.
Toen klonk een vervormde stem.
“Je vader heeft eindelijk ontdekt waar het geld is.”
Sophie keek naar mij.
De stem ging verder:
“Maar hij heeft nog niet ontdekt wie zijn familie al twintig jaar in de gaten houdt.”
De verbinding werd verbroken.
Anna keek naar Sophie.
“Kun je het nummer traceren?”
Sophie schudde haar hoofd.
“Het was versleuteld.”
Toen kwam er een tweede bericht.
Een foto.
Ik opende hem.
Mijn hart stopte.
De foto was van mijn huis.
Van buiten.
Genomen slechts enkele minuten geleden.
Op de foto stonden mijn drie kleindochters bij het raam.
En onder de foto stond:
“Volgende keer neem ik ze mee zonder waarschuwing.”
Sophie greep mijn arm.
“Papa…”
Ik keek haar aan.
“Wat?”
Ze fluisterde:
“Hij weet waar we wonen.”
Anna pakte onmiddellijk haar telefoon.
“Alle kinderen worden vanaf nu onder politiebescherming geplaatst.”
Maar voordat ze kon bellen, klonk er buiten een autodeur.
Daarna nog één.
En nog één.
Anna liep naar het raam.
Ze keek naar buiten.
Drie zwarte auto's stonden voor het gebouw.
Ze draaide zich langzaam om.
“Willem…”
“Wat?”
“Dit zijn geen politieauto's.”
Sophie keek naar de deur.
“Ze zijn hier.”
En toen ging de deur van het gebouw langzaam open.
Een man stapte naar binnen.
Hij keek recht naar mij.
En glimlachte.
“Goedenavond, Willem.”
Ik herkende hem.
Niet van vroeger.
Maar van die ene foto.
Hij was de man die naast Thomas stond.
De man die volgens Sophie achter alles zat.
Hij zei slechts:
“Je hebt precies twaalf minuten om te beslissen wie van jullie hier levend weggaat.”






