ZE GAAN NAAR EEN PLEEGGEZIN!”
News Story

ZE GAAN NAAR EEN PLEEGGEZIN!”

0 weergaven

DEEL 4 — “MIJN BROER LOOG TEGEN ME”

Ik bleef naar het scherm kijken.

De video van Sophie was gestopt, maar haar gezicht bleef in mijn hoofd hangen.

“Vraag hem waar hij was op de avond dat ik stierf.”

Mijn broer.

Pieter.

Mijn eigen broer.

Twintig jaar lang had ik hem vertrouwd.

Hij was degene die naast me stond toen onze ouders overleden.

Degene die me hielp toen ik mijn bedrijf begon.

Degene die Sophie haar eerste fiets gaf.

En nu vertelde mijn dode dochter me dat ik hem moest ondervragen over haar laatste avond.

Anna keek me aan.

“Willem?”

Ik antwoordde niet.

“Ken je Pieter goed?”

Ik lachte bitter.

“Hij is mijn broer.”

“Dat heb ik begrepen.”

“Hij zou Sophie nooit kwaad doen.”

Anna wees naar de telefoon.

“Dat dacht Sophie blijkbaar anders.”

Ik keek opnieuw naar de video.

“Misschien bedoelde ze iets anders.”

“Misschien.”

Anna pakte haar telefoon.

“Maar we gaan het controleren.”

Ze belde een collega.

“Kun je nagaan waar Pieter de Vries was op de avond van 17 april? En ik wil camerabeelden, kentekengegevens en telefoonlocaties.”

Ze hing op.

Ik keek naar haar.

“Je denkt echt dat hij betrokken is?”

“Ik denk dat we niets meer als vanzelfsprekend mogen aannemen.”

Op weg naar huis belde ik Pieter.

Hij nam na drie keer over.

“Willem?”

Zijn stem klonk normaal.

Bijna té normaal.

“Waar ben je?”

Een korte stilte.

“Thuis. Waarom?”

“Kun je naar mijn huis komen?”

“Nu?”

“Ja.”

Hij zuchtte.

“Is er iets met de meisjes?”

“Kom gewoon.”

“Goed.”

Twintig minuten later reed zijn auto mijn straat in.

Ik stond achter het raam.

Pieter stapte uit.

Hij keek eerst naar mijn huis.

Toen naar de straat.

Alsof hij wilde controleren of iemand hem volgde.

Ik voelde een rilling.

Anna zag het ook.

“Let op zijn reactie.”

De deurbel ging.

Ik deed open.

Pieter keek me aan.

“Willem…”

Toen zag hij Anna.

Zijn gezicht verstarde.

“Wat doet de politie hier?”

“Ga zitten,” zei ik.

Hij keek naar mij.

“Waarom?”

“Omdat ik je iets moet vragen.”

We gingen aan de keukentafel zitten.

De drie meisjes waren boven met twee agenten.

Anna legde de telefoon op tafel.

“Ken je deze video?”

Pieter keek ernaar.

Zijn gezicht werd bleek.

“Waar heb je die vandaan?”

Ik voelde mijn hart bonzen.

“Dus je kent hem.”

“Niet de video.”

“Maar je weet wat erop staat.”

Hij keek naar mij.

“Willem, luister naar me.”

“Waar was je op 17 april?”

Hij zweeg.

Precies lang genoeg.

Anna merkte het ook.

“Mijnheer De Vries?”

Pieter wreef met zijn handen over zijn gezicht.

“Bij een klant.”

“Welke klant?”

“Dat weet ik niet meer.”

Ik stond op.

“Je weet niet meer waar je was toen mijn dochter stierf?”

“Ik had die avond veel afspraken.”

“Welke klant?”

“Willem, ik weet het echt niet meer.”

Anna keek hem strak aan.

“Dat is vreemd.”

Pieter keek haar aan.

“Waarom?”

“Omdat uw telefoon die avond niet bij een klant was.”

Zijn gezicht veranderde.

“Wat?”

Anna draaide haar scherm naar hem.

“Uw telefoon werd om 22:41 uur geregistreerd in Rotterdam.”

Ik keek naar mijn broer.

“Rotterdam?”

Hij slikte.

“Dat kan niet.”

“Uw telefoon was daar.”

“Ik…”

“Wijnhaven,” zei Anna.

Pieter keek naar mij.

Niemand sprak.

Toen stond hij plotseling op.

“Ik moet gaan.”

Ik blokkeerde de deur.

“Je gaat nergens heen.”

“Willem, laat me gaan.”

“Waarom was je daar?”

“Dat kan ik je niet vertellen.”

“Waarom niet?”

Hij keek me recht aan.

“Omdat Sophie me dat verbood.”

Mijn hart sloeg over.

“Wat?”

Pieter ging weer zitten.

Hij zag er ineens uitgeput uit.

“Een week voordat ze stierf, belde Sophie me.”

“Waarom?”

“Ze zei dat ze bang was.”

“Voor Thomas?”

Pieter knikte.

“Ze zei dat ze ontdekte dat Thomas geld verduisterde.”

“Dat wist ik.”

“Maar ze ontdekte nog iets.”

Anna boog naar voren.

“Wat?”

Pieter keek naar de deur.

Toen fluisterde hij:

“Thomas had een geheime rekening.”

“Waar?”

“Zwitserland.”

Mijn maag draaide om.

“Hoeveel geld?”

“Veel.”

“Hoeveel?”

Pieter keek naar mij.

“Bijna zeven miljoen euro.”

Ik voelde mijn benen slap worden.

“Waar kwam dat geld vandaan?”

“Uit het bedrijf.”

“Waarom hielp je haar niet?”

“Ik probeerde.”

“Waarom vertelde je mij niets?”

“Omdat Sophie zei dat ze je niet wilde betrekken.”

“Waarom?”

Pieter keek naar Anna.

“Omdat ze dacht dat iemand binnen de familie voor Thomas werkte.”

De kamer werd doodstil.

“Wie?” vroeg ik.

Pieter antwoordde niet.

“Wie?” herhaalde ik.

Hij keek naar mij.

“Dat wist ze niet zeker.”

“Maar jij wel.”

Pieter sloot zijn ogen.

“Ik had een vermoeden.”

“Wie?”

Hij fluisterde een naam.

Ik voelde mijn hele lichaam koud worden.

“Mila.”

Anna keek op.

“Thomas' minnares?”

Pieter knikte.

“Ze was niet alleen zijn minnares.”

“Wat was ze dan?”

“Ze werkte voor het bedrijf.”

Ik staarde hem aan.

“Dat wist ik.”

“Nee,” zei Pieter.

“Je weet niet wat ik bedoel.”

Hij haalde diep adem.

“Mila was de financieel directeur van een van Thomas' buitenlandse bedrijven.”

Anna stond onmiddellijk op.

“Waarom staat dat niet in onze dossiers?”

“Omdat dat bedrijf officieel niet van Thomas is.”

“Van wie dan?”

Pieter keek naar mij.

“Van Sophie.”

Ik begreep het niet.

“Wat?”

“Thomas gebruikte Sophie als eigenaar. Maar de aandelen werden zonder haar toestemming overgedragen.”

“Wanneer?”

“Drie maanden geleden.”

Ik voelde tranen in mijn ogen.

“Dus Sophie ontdekte dat haar eigen bedrijf tegen haar werd gebruikt?”

Pieter knikte.

“En toen wilde ze naar de politie.”

“Maar ze stierf.”

“Ja.”

“Wie heeft haar vermoord?”

Pieter keek naar mij.

“Ik weet het niet.”

“Je liegt.”

“Ik zweer het.”

Anna kreeg een bericht op haar telefoon.

Ze las het.

Haar gezicht werd ernstig.

“Willem.”

“Wat?”

“De camerabeelden uit Rotterdam zijn binnen.”

Ze liet haar scherm zien.

Een zwarte auto reed op 17 april om 22:38 uur de parkeergarage binnen.

Ik herkende hem onmiddellijk.

Pieters auto.

Ik draaide me naar mijn broer.

“Je zei dat je daar niet was.”

Pieter keek naar het scherm.

Zijn gezicht werd lijkbleek.

“Ik…”

“Je hebt tegen me gelogen.”

“Willem, luister!”

“Waarom?”

Hij stond op.

“Ik ging daarheen om Sophie te helpen!”

“Waar is ze dan?”

Hij zweeg.

“Waar was Sophie?”

Pieter begon te huilen.

“Ik kwam te laat.”

Anna liep naar hem toe.

“Wat betekent dat?”

Pieter keek naar mij.

“Ik zag Sophie die avond.”

Mijn hart brak.

“Levend?”

Hij knikte.

“Ze zat in haar auto.”

“En?”

“Ze zei dat iemand haar volgde.”

“Wie?”

Pieter sloot zijn ogen.

“Thomas.”

Ik voelde een golf van woede.

“Waarom heb je haar niet meegenomen?”

“Ik wilde.”

“Maar?”

“Toen kwam er een tweede auto.”

Anna verstijfde.

“Welke auto?”

Pieter keek naar haar.

“Een witte bestelwagen.”

Mijn hart bonsde.

Dezelfde bestelwagen als op de foto.

“Wat gebeurde daarna?”

Pieter fluisterde:

“Een man stapte uit.”

“Wie?”

“Dat weet ik niet.”

“Wat deed hij?”

Pieter keek naar de vloer.

“Hij liep naar Sophie.”

“En toen?”

“Ik hoorde een schreeuw.”

“Pieter…”

“Ik wilde naar haar toe.”

“Waarom deed je het niet?”

Hij keek me recht aan.

“Omdat iemand een pistool op mij richtte.”

Niemand bewoog.

“Wie?”

Pieter antwoordde:

“Thomas.”

Op dat moment klonk boven een gil.

Lotte.

Ik rende de trap op.

De deur van de slaapkamer stond open.

De twee agenten lagen bewusteloos op de vloer.

Emma en Fleur waren verdwenen.

Lotte stond alleen in de kamer.

In haar hand hield ze een briefje.

Ik pakte het van haar aan.

Er stond slechts één zin:

“ALS JE JE KLEINKINDEREN LEVEND TERUG WILT, KOM DAN ALLEEN NAAR WIJN­HAVEN 107.”

Onderaan stond een naam.

THOMAS.