ZE GAAN NAAR EEN PLEEGGEZIN!”
News Story

ZE GAAN NAAR EEN PLEEGGEZIN!”

0 weergaven

DEEL 5 — “HIJ WILDE DAT IK ALLEEN KWAM”

Ik staarde naar het briefje.

Mijn handen trilden zo hevig dat het papier bijna uit mijn vingers viel.

“Als je je kleinkinderen levend terug wilt, kom dan alleen naar Wijnhaven 107.”

Onderaan stond één naam.

Thomas.

“Waar zijn Emma en Fleur?” vroeg ik.

Lotte wees naar de gang.

“Ze waren hier.”

“Wanneer?”

“Een paar minuten geleden.”

Ik keek naar de twee agenten op de vloer.

“Anna!”

Ze kwam de kamer binnen en knielde onmiddellijk bij haar collega's.

“Ze ademen.”

Ik voelde een fractie van opluchting.

“Maar de kinderen zijn weg.”

Anna keek naar het briefje.

“Dit is een val.”

“Het kan me niet schelen.”

Ik liep naar de deur.

“Willem, stop.”

“Mijn kleinkinderen zijn daar.”

“En daarom ga je niet alleen.”

“Thomas zei dat ik alleen moest komen.”

“Precies.”

Pieter kwam achter ons aan.

“Ik ga met je mee.”

Anna draaide zich naar hem om.

“Nee.”

“Ze zijn ook mijn nichtjes.”

“En als Thomas jou ziet, kan hij de kinderen iets aandoen.”

Pieter balde zijn vuisten.

“Ik laat Willem niet alleen gaan.”

Anna keek me aan.

“Je gaat niet alleen.”

“Maar Thomas wil—”

“Thomas weet dat we komen.”

Ze pakte haar telefoon.

“En wij zorgen ervoor dat hij dat niet merkt.”

Een half uur later reden we richting Rotterdam.

Mijn hart bonsde voortdurend.

Ik keek naar mijn telefoon.

Geen bericht.

Geen telefoontje.

Niets.

Toen verscheen er eindelijk een bericht.

“Geen politie.”

Daarna:

“Ik meen het, Willem.”

Anna keek naar mijn scherm.

“Hij weet dat we onderweg zijn.”

“Hoe?”

“Dat gaan we uitzoeken.”

Toen kreeg ik nog een bericht.

“Je broer mag ook niet komen.”

Ik keek naar Pieter.

Hij was stil.

Anna keek hem aan.

“Hij weet van jou.”

Pieter knikte.

“Dat betekent dat hij ons in de gaten houdt.”

We bereikten Wijnhaven 107.

Het gebouw zag er verlaten uit.

De meeste ramen waren donker.

Een oude metalen deur stond op een kier.

Anna stopte de auto verderop.

“Jij gaat naar binnen.”

Ik keek haar aan.

“Alleen?”

“Wij volgen op afstand.”

“En als hij de kinderen—”

“Dan grijpen we in.”

Ik stapte uit.

Mijn benen voelden zwaar.

Ik liep naar de deur.

“Thomas!”

Geen antwoord.

Ik duwde de deur open.

Binnen was het donker.

Een lange gang liep naar een kantoorruimte.

Toen hoorde ik iets.

Een kind huilde.

“Fleur?”

“Opa!”

Ik rende vooruit.

Maar Anna's stem klonk in mijn oortje.

“Niet rennen.”

Ik stopte.

Voor me stond een open deur.

Ik keek naar binnen.

Emma en Fleur zaten op twee stoelen.

Ze waren niet vastgebonden.

Maar naast hen stond een man.

Niet Thomas.

Ik kende hem niet.

Hij hield een telefoon vast.

“Blijf staan.”

Ik bevroor.

“Waar is Thomas?”

De man glimlachte.

“Hij kijkt mee.”

Hij wees naar een camera aan het plafond.

Mijn telefoon trilde.

Thomas belde.

Ik nam op.

Zijn stem klonk kalm.

“Hallo, Willem.”

“Laat mijn kleinkinderen gaan.”

“Dat hangt van jou af.”

“Wat wil je?”

“De USB-stick.”

Ik keek naar de man.

“Welke?”

“Doe niet alsof je dom bent.”

“De stick van Sophie?”

“Ja.”

“Waar is hij?”

“Bij jou.”

Ik zweeg.

Thomas lachte.

“Je denkt dat Sophie je alles heeft verteld.”

“Wat bedoel je?”

“Ze heeft je maar de helft verteld.”

Mijn hart sloeg over.

“Wat is de andere helft?”

“Dat kun je haar zelf vragen.”

Ik verstijfde.

“Wat?”

Thomas zei niets.

Toen hoorde ik op de achtergrond een stem.

Een vrouwenstem.

Zacht.

Bevend.

Ik kende die stem.

Ik liet bijna mijn telefoon vallen.

Sophie.

“Papa…”

Mijn hele lichaam verstijfde.

“Lotte?”

“Nee.”

De stem klonk zwak.

“Papa, luister naar me.”

Ik keek naar de man in de kamer.

Hij keek strak naar mij.

“Sophie?”

“Papa…”

“Waar ben je?”

“Ga weg.”

“Wat?”

“Ga weg uit dit gebouw.”

Ik voelde tranen over mijn wangen lopen.

“Maar je bent dood.”

Een lange stilte.

Toen zei ze:

“Dat is wat Thomas wil dat iedereen gelooft.”

Mijn hart stopte bijna.

Anna hoorde alles via mijn oortje.

“Willem, blijf kalm.”

Ik keek naar de camera.

“Thomas, waar is mijn dochter?”

Hij antwoordde:

“Precies waar ze moet zijn.”

“Laat haar met me praten.”

“Dat kan niet.”

“Waarom?”

“Omdat ze nog steeds niet begrijpt dat ze verloren heeft.”

Toen klonk er een harde klap.

Sophie schreeuwde.

“STOP!”

Ik rende naar voren.

De man trok Fleur onmiddellijk dichter tegen zich aan.

“Geen stap verder.”

Ik stopte.

“Raak haar niet aan.”

Hij glimlachte.

“De USB-stick.”

Ik haalde hem uit mijn jas.

“Hier.”

De man stak zijn hand uit.

“Gooi hem.”

Ik gooide de USB-stick op de grond.

Hij bukte zich.

Op dat moment hoorde ik Anna's stem in mijn oortje.

“Nu.”

Het licht viel uit.

Er klonken voetstappen.

Een deur sloeg dicht.

De man greep Fleur vast en trok haar achteruit.

“Niet bewegen!”

Ik hoorde Emma schreeuwen.

Toen sprongen de lichten weer aan.

Anna en drie agenten stonden aan de andere kant van de kamer.

De man keek om zich heen.

Hij had geen uitweg.

“Laat het meisje los.”

Hij aarzelde.

Toen gooide hij de USB-stick naar de grond.

“Jullie begrijpen niet met wie jullie te maken hebben.”

Anna trok haar wapen.

“Laat haar los.”

De man liet Fleur los.

Een agent rende naar haar toe.

Emma sprong onmiddellijk van haar stoel en omhelsde haar zus.

Ik knielde bij hen neer.

“Zijn jullie gewond?”

Fleur schudde haar hoofd.

“Opa…”

Ze begon te huilen.

“Waar is mama?”

Ik keek naar Anna.

De man werd geboeid.

Anna pakte de USB-stick.

“Waar is Sophie?”

De man glimlachte.

“Dat is niet aan mij om te zeggen.”

“Wie gaf je opdracht?”

Hij zweeg.

Anna zette een stap dichterbij.

“Thomas?”

Hij keek haar aan.

“Nee.”

Mijn hart bonsde.

“Wie dan?”

De man keek naar mij.

“Jouw broer.”

Ik draaide me om.

Pieter stond bij de ingang.

Zijn gezicht was lijkbleek.

“Dat is onmogelijk.”

De man lachte.

“Vraag hem maar waar hij de afgelopen zes maanden elke maand geld voor kreeg.”

Pieter deed een stap achteruit.

Ik keek hem aan.

“Pieter?”

Hij zei niets.

“Is het waar?”

Nog steeds niets.

Toen haalde hij langzaam zijn telefoon tevoorschijn.

“Willem…”

“Wat?”

“Ik wilde je beschermen.”

“Waartegen?”

Hij keek naar de kinderen.

Toen naar de agenten.

En uiteindelijk naar mij.

“Niet tegen Thomas.”

Hij slikte.

“Maar tegen Sophie.”

De kamer werd stil.

Ik voelde mijn hart in mijn borst bonzen.

“Wat heb je met mijn dochter gedaan?”

Pieter keek naar de grond.

“Het was niet mijn bedoeling dat ze zou sterven.”

Anna trok onmiddellijk haar wapen hoger.

“Wat bedoel je met ‘niet mijn bedoeling’?”

Pieter begon te huilen.

“Ze had ontdekt wie er achter Thomas zat.”

“Wie?”

Hij keek me recht aan.

“Jij.”

Ik begreep het niet.

“Wat?”

Pieter fluisterde:

“De persoon die Thomas financierde…”

Hij wees naar mij.

“…was iemand uit jouw eigen bedrijf.”

Op dat moment ging de deur achter ons langzaam open.

Iedereen draaide zich om.

Een vrouw stond in de deuropening.

Bleek.

Met tranen over haar gezicht.

Ik herkende haar onmiddellijk.

Sophie.

Mijn dochter.

Levend.

Maar ze keek niet naar mij.

Ze keek naar Pieter.

En ze zei slechts vier woorden:

“Hij heeft alles gezien.”