deel9
De middagzon scheen fel door de ramen van het gerechtsgebouw in Lower Manhattan toen ik, vergezeld door mijn hoofdadvocaat mr. Henderson en Nora, de marmeren treden opstapte. De media stond rijen dik opgesteld achter de metalen hekken. Camera’s flitsten onophoudelijk, microfoons werden naar voren geduwd alsof het hongerige wolven waren. Iedereen wilde een glimp opvangen van de vrouw die in minder dan vierentwintig uur tijd het imperium van haar man had doen instorten.
Ik hield mijn hoofd hoog, droeg een strakke zwarte zonnebril en liep met rustige, gemeten stappen naar binnen zonder ook maar één woord te zeggen tegen de schreeuwende journalisten. Laat ze maar speculeren. De feiten spraken voor zich.
In de rechtszaal was het al net zo gespannen. Camden zat aan de verdedigingstafel, geflankeerd door twee dure advocaten van een gerenommeerd Amsterdams-New Yorks kantoor. Hij zag er slecht uit; zijn pak leek opeens te groot voor zijn ingezakte schouders en hij durfde me niet aan te kijken toen ik plaatsnam aan de aanklagende tafel recht tegenover hem.
Rechter Alistair, een strenge man op leeftijd met decennia aan ervaring in bedrijfsrecht, sloeg zijn dossier dicht en keek de zaal rond. Zijn blik bleef even hangen op Camden en daarna op mij.
‘De rechtbank heeft kennisgenomen van het spoedverzoek tot kort geding ingediend door de heer Pierce,’ begon de rechter met een diepe, galmende stem. ‘Evenals de uitgebreide stukken en tegenvorderingen ingediend door de raad van bestuur van Alden Meridian Holdings en mevrouw Vivian Pierce.’
Hij nam een slok water en bladerde door een set documenten.
‘Meneer Pierce eist onmiddellijke herstel in zijn functie als algemeen directeur en stelt dat er sprake is van een onrechtmatige machtsgreep. Echter,’ de rechter keek over zijn bril heen naar Camden, ‘de rechtbank heeft tevens de bankafschriften ontvangen van de Swiss First Bank, waaruit blijkt dat er gedurende de afgelopen maanden ruim vierenveertig miljoen dollar aan bedrijfsfondsen is weggesluisd naar een geheime offshore-rekening op naam van de eiser.’
De advocaat van Camden sprong direct recht op. ‘Edelachtbare, dat zijn voorlopige beweringen! Er is nog geen sprake van een bewezen strafbaar feit en cliënt behoudt zich het recht voor om...’
‘Ga zitten, meester Vance,’ kapte de rechter de advocaat af met een handbeweging. ‘Dit is een civiele procedure over het beheer van vitale bedrijfsactiviteiten. En de rechtbank ziet op dit moment meer dan genoeg grond om te concluderen dat het voortzetten van de directiefunctie door de heer Pierce een direct en onaanvaardbaar gevaar vormt voor de continuïteit van de onderneming.’
Camden sloot zijn ogen. Ik zag zijn kaken strak op elkaar geklemd worden.
‘Het kort geding van eiser wordt hierbij afgewezen,’ sprak de rechter met een luide klap van zijn hamer. ‘Daarnaast wordt de beslaglegging op alle persoonlijke en zakelijke tegoeden van de heer Pierce, aangevraagd door de verdediging, per direct van kracht verklaard.’
De hamer viel. Het vonnis was geveld. En Camden Pierce was niet alleen zijn baan kwijt, maar ook al zijn geld.






