Deel 6: De Schaduw van de Vader
Het geluid van de opengebroken deur echode als een donderslag door de ondergrondse ruimte. Voetstappen snelden door de gang, vergezeld door het metalige geluid van doorgeladen wapens. Mijn hart klopte zo snel dat het pijn deed in mijn borst.
"Eva, NU!" schreeuwde Daniel met de laatste krachten die hij in zich had. Hij grijpt mijn hand en duwde me ruw richting de achterkant van het laboratorium, waar een enorme, brommende stroomgenerator stond.
Ik keek nog één keer in zijn holle, vermoeide ogen. "Ik kom voor je terug," fluisterde ik, een belofte die ik niet wist of ik kon nakomen.
"Red onze zoon," antwoordde hij.
Ik rende naar de spiegel aan de muur achter de generator, waarnaar Daniel had verwezen. Met trillende vingers voelde ik aan de randen van het zware glas. Er zat een verborgen klikmechanisme. Ik duwde er hard tegenaan, en de spiegel klapte open als een kastdeur. Daarachter bevond zich een kleine, stalen kluis met een cijferslot.
Mijn gedachten raceten. De code... wat is de code?!
"De datum!" riep Daniel vanuit zijn bed, terwijl de eerste indringer de hoek van de gang omkwam. "De datum op de achterkant van de foto!"
Mijn vingers gevlogen over de metalen schijf. Ik voerde de cijfers van mijn geboortedatum in. Een klik klonk. De kluis ging open. Binnenin lag een klein, roestvrijstalen buisje dat ijskoud aanvoelde, bewaard in een soort cryogene vloeistof. Ik griste het mee en stopte het samen met het flesje van Daniels ketting in mijn zak.
"Daar is ze! Grijp haar!" schreeuwde de stem van Vance vanuit de gang.
Een schot weerklonk. De kogel ketste met een hels kabaal af op de metalen generator vlak naast mijn hoofd. Vonken vlogen door de lucht. Mijn baby begon een doordringend, angstaanjagend gehuil op te zetten.
Ik aarzelde geen seconde meer. Achter de generator ontdekte ik een lage, houten luik in de muur. Ik buukte me diep, klom erdoorheen en trok het luik achter me dicht net op het moment dat een tweede kogel de wand doorboorde.
De tunnel achter het luik was eng, vochtig en stonk naar rioolwater. Ik kruip op mijn knieën door de modder, mijn baby zo hoog mogelijk houdend om hem te beschermen tegen het vuil. De fysieke pijn van mijn bevalling sneed door mijn bekken, elke beweging voelde als een marteling, maar de oerdrift om mijn kind te beschermen stuwde me voort.
Na wat een eeuwigheid leek, zag ik een flauw lichtpuntje aan het einde van de tunnel. Ik duwde tegen een roestig rooster en kwam uit in een dichtbegroeide greppel, honderd meter achter het herenhuis, verscholen tussen de bomen van het bos.
Ik klom de greppel uit, mijn kleren bedekt met modder en bloed. In de verte hoorde ik schreeuwende stemmen rond het huis. Ze doorzochten het terrein.
Zonder om te kijken rende ik door de drassige bossen richting de secundaire weg waar ik Dr. Vandenbergs auto had geparkeerd. Ik sprong achter het stuur, legde de baby voorzichtig op de bijrijdersstoel en startte de motor. Met gillende banden reed ik weg, de regen in.
Mijn handen trilden zo erg op het stuur dat ik moeite had de auto op de weg te houden. Ik moest terug naar Dr. Vandenberg. Hij was de enige die wist hoe hij het serum moest maken met de twee componenten die ik nu op zak had.
Vijfentwintig minuten later kwam ik aan bij de achteringang van het ziekenhuis. De regen kwam nu in bakken uit de hemel vallen. Het ziekenhuisterrein zag er opvallend rustig uit, maar de spanning hing in de lucht. Ik verstopt de medicijnflesjes diep in de kleding van mijn baby, wikkelde hem in een droge deken die nog in de auto lag, en glipte via de ondergrondse wasserette weer naar binnen.
Ik nam de dienstlift naar de bovenste verdieping, waar het kantoor van Dr. Vandenberg zich bevond. De gangen waren uitgestorven. Het eentonige zoemen van de TL-buizen maakte me nerveus.
Toen ik bij de deur van zijn kantoor kwam, zag ik dat deze op een kier stond. Er kwam geen licht uit de kamer.
"Dr. Vandenberg?" fluisterde ik zachtjes, terwijl ik de deur voorzichtig verder openduwde.
Geen antwoord.
Ik stapte de kamer binnen. Mijn voet raakte iets nats op de vloer. Ik keek naar beneden en zag een donkere, rode vloeistof die langzaam onder het grote eikenhouten bureau vandaan stroomde.
Mijn adem stokte. Ik deed nog een stap naar voren.
Dr. Thomas Vandenberg lag achter zijn bureau op de grond. Zijn witte doktersjas was doordrenkt van het bloed. Zijn ogen staarden roerloos naar het plafond.
Ik wilde het uitschreeuwen van afgrijzen, maar ik klemde mijn hand over mijn mond. Hij was dood. Neergeschoten.
Toen hoorde ik het klikkende geluid van een pistoolhaan vlak achter mijn oor.
"U bent snel, mevrouw," fluisterde een koele, vrouwelijke stem in mijn nek. "Sneller dan we dachten. Geef me het buisje, of uw zoon wordt binnen één seconde een wees."






