Deel 4: Het Geheim Onder de Vloer
De woorden op de achterkant van de foto leken in mijn netvlies gebrand. Zoek naar de sleutel onder het bad. Het was de handschrift van Daniel. Slordig, haastig, maar onmiskenbaar het zijne. Mijn hand klemde zich steviger om het breekbare lichaampje van mijn zoon, die nu rustig tegen mijn borst lag te ademen.
"We hebben niet veel tijd," zei Dr. Vandenberg, terwijl hij ijsberend door de kamer liep. Hij keek voortdurend op zijn horloge. "Vance en zijn mannen houden de hoofduitgangen van het ziekenhuis in de gaten. Ze denken dat ze ons in de val hebben gelokt, maar ze onderschatten wat een moeder bereid is te doen."
"En wat een dokter bereid is te doen die zijn verleden wil zuiveren," voegde ik eraan toe, terwijl ik de arts strak aankeek. "U heeft me nog steeds niet alles verteld, Dr. Vandenberg. Waarom helpt u mij? Dertig jaar geleden was u betrokken bij dit experiment. Waarom nu ineens de held uithangen?"
Dr. Vandenberg bleef staan. De diepe rimpels op zijn voorhoofd leken nog dieper te worden. "Omdat ik dertig jaar geleden een lafbek was," zei hij zacht, met een stem vol spijt. "Ik liet mijn broer Julian zijn gang gaan met zijn waanzinnige genetische therapieën. Ik keek de andere kant op toen het geld van de korporatie binnenstroomde. Maar toen ik zag wat het aanrichtte... hoe het gezinnen verwoestte, hoe het jouw moeder het leven kostte... schrok ik terug. Ik heb beloofd dat als die vloek ooit weer de kop op zou steken, ik het zou stoppen. Zelfs als het me mijn leven kost."
Hij liep naar de kledingkast in de hoek van de kamer en haalde er een donkere, overmaatse jas en een doktersschort uit.
"Je kunt nu niet via de normale weg naar buiten," zei hij. "Mijn assistente, verpleegkundige Clara – degene die zojuist de kamer verliet – is te vertrouwen. Zij weet van een ondergrondse gang die de wasserette van het ziekenhuis verbindt met de parkeergarage onder het aanpalende winkelcentrum. Daar staat mijn auto."
"En mijn zoon?" vroeg ik ongerust. "Kan hij dit wel aan? Hij is net geboren!"
"Hij heeft geen keus," zei de dokter streng, al verraadde de blik in zijn ogen zijn medeleven. "Als hij hier blijft, wordt hij een proefkonijn in een particulier laboratorium. We moeten naar het oude huis van Julian. Het staat al tientallen jaren leeg, aan de rand van het stadje Oosterbeek. Daar ligt de sleutel waarnaar Daniel verwees."
Met trillende handen trok ik mijn oude wollen trui weer aan. De fysieke pijn van de bevalling was nog steeds aanwezig, een doffe, snijdende pservering bij elke stap die ik zette, maar de angst om mijn kind te verliezen verdoofde alles. Ik wikkelde de baby in een dikke deken en legde hem in de draagzak die ik in mijn koffer had meegenomen.
Twee minuten later klopte er zachtjes iemand op de deur. Het was Clara. Ze keek nerveus om zich heen.
"De gang is vrij," fluisterde ze. "Maar je moet snel zijn. Vance heeft een van zijn mannen bij de lift geplaatst."
We volgden Clara door een doolhof van smalle, schemerige gangen, ver weg van de glanzende, verlichte afdelingen van het ziekenhuis. Het rook er naar chloor, vocht en oud papier. Mijn hart klopte in mijn keel bij elk geluid – de draaiende trommel van een wasmachine, de stappen van een schoonmaker in de verte.
Uiteindelijk bereikten we een zware, metaalachtige deur die leidde naar de ondergrondse parkeergarage. De frisse, koude buitenlucht sloeg in mijn gezicht en bracht me heel even terug tot de werkelijkheid. Dr. Vandenberg haalde een autosleutel tevoorschijn en ontgrendelde een oude, onopvallende grijze Sedan.
"Stap in," zei hij korte metten makend. "Rijd rechtstreeks naar Oosterbeek. Het adres staat in het dashboardkastje. Ik blijf hier."
Ik verstijfde met mijn hand op de deurklink. "U blijft hier? Maar u zei net dat we samen--"
"Als ik verdwijn, hebben ze meteen door dat er iets mis is," onderbrak hij me. "Ik moet Vance bezighouden. Ik ga doen alsof ik het serum in mijn kantoor aan het voorbereiden ben. Dat geeft jou minstens een uur voorsprong."
"Maar ze vermoorden u als ze erachter komen dat ik weg ben!" riep ik uit.
Dr. Vandenberg glimlachte droog. "Ik ben een oude man, mevrouw. Mijn leven is al lang geleden getekend door de zonden die ik heb begaan. Uw zoon heeft een toekomst nodig. Zorg dat je die sleutel vindt. Het opent niet alleen een deur... het opent een kluis met de antwoorden op alles wat er dertig jaar geleden is gebeurd."
Voordat ik iets kon tegenwerpen, duwde hij me zachtjes de auto in en sloot het portier. Ik startte de motor, die met een roestig gehoest tot leven kwam, en reed de donkere garage uit, de regenachtige ochtend in.
Een uur later kwam ik aan bij het adres in Oosterbeek. Het huis was een imposant, maar vervallen herenhuis, overwoekerd door klimop en omheind door een roestig hekwerk. De ramen waren dichtgetimmerd met houten plankjes. Het zag eruit als een spookhuis uit een vergeten tijdperk.
Met mijn baby stevig tegen mijn borst geklemd, duwde ik het krakende hek open en liep naar de voordeur. De deur lag uit zijn hengsels. Binnen rook het naar stof, muf hout en rotte bladeren.
Ik baande me een weg door de donkere gang naar de badkamer op de begane grond. Het oude, gietijzeren bad op pootjes stond in de hoek, bedekt met een dikke laag stof. Ik liet me op mijn knieën vallen, negeerde de scheut van pijn in mijn buik, en voelde met mijn vingers onder de rand van het zware bad.
Mijn vingertoppen raakten iets kouds en metaalachtigs. Een kleine, roestige hendel. Ik trok er met al mijn kracht aan.
Met een luid, schurend geluid verschoof niet de sleutel, maar een deel van de houten vloer naast het bad. Er kwam een steile, pikdonkere trap tevoorschijn die diep de grond in leidde.
En vanuit die donkere diepte hoorde ik plotseling een geluid dat mijn bloed deed stollen.
Het was het zwakke, ritmische piepen van een hartmonitor... en de stem van een man die zachtjes mijn naam riep.






