Deel 3: Schaduwen in het Ziekenhuis
De koude lucht uit de gang stroomde de kamer binnen, vergezeld door het mechanische gezoem van de lift die achter de mannen dichtsloeg. Mijn lichaam versteende. Mijn hand klemde zich automatisch vast om de spijlen van het ziekenhuisbed, alsof ik mezelf fysiek wilde verankeren tegen het onbekende gevaar dat zojuist was binnengestapt.
De twee mannen droegen donkere zonnebrillen, ondanks het vroege ochtenduur en de gedempte verlichting van de ziekenhuisgang. De voorste man, lang en mager met een litteken dat van zijn slaap tot aan zijn kaaklijn liep, deed een stap naar voren. Zijn blik negeerde mij volkomen en richtte zich direct op Dr. Vandenberg.
"Dr. Vandenberg," zei de man met een stem die klonk als kiezelstenen die over elkaar schuurden. "U bent buiten uw boekje gegaan. Het protocol was duidelijk. Zodra het kind geboren zou worden, hoorde het laboratorium geïnformeerd te worden. Niet u."
Dr. Vandenberg ging meteen voor het wiegje van mijn zoon staan. Hij maakte zichzelf zo breed mogelijk, alsof zijn oude, breekbare lichaam een menselijk schild kon vormen tegen deze indringers.
"Mr. Vance," antwoordde Dr. Vandenberg met een verrassend vaste stem. "Dit is een medische afdeling. Deze vrouw is net bevallen. U heeft hier geen enkele autoriteit. Verlaat deze kamer voordat ik de beveiliging bel."
De tweede man lachte kort. Het was een droog, vreugdeloos geluid. Hij reikte naar de binnenzak van zijn jasje en haalde er een dikke, grijze enveloppe uit, die hij op het nachtkastje naast mijn bed legde.
"Beveiliging?" zei Vance met een kille glimlach. "Het hele bestuur van dit ziekenhuis staat op onze loonlijst, dokter. Inclusief het hoofd van de beveiliging. Als wij zeggen dat dit kind moet worden overgebracht naar een gespecialiseerde kliniek voor 'observatie', dan gebeurt dat. Binnen vijf minuten."
"Wie zijn jullie?!" schreeuwde ik, terwijl ik probeerde overeind te krabbelen. De pijn van de bevalling sneed als een mes door mijn onderbuik, maar de adrenaline overspoelde alles. "Blijf uit de buurt van mijn zoon! Wat hebben jullie met Daniel gedaan?!"
Vance keek nu pas naar mij. Zijn ogen waren koud, berekenend en volkomen verstoken van menselijkheid. "Mevrouw, uw man – als we hem zo mogen noemen – heeft een schuld die hij nooit heeft kunnen afbetalen. Vijfentwintig jaar lang heeft onze organisatie het onderzoek van zijn familie gefinancierd. Toen hij ontdekte wat zijn vader werkelijk had gecreëerd, probeerde hij de data te vernietigen. Dat was een hele dwaze beslissing."
"Waar is hij?" bracht ik uit, de tranen brandden achter mijn ogen. "Leeft hij nog?"
"Hij leeft," zei Vance simpel. "Voor zover je het 'leven' kunt noemen. Hij bevindt zich op een veilige plek, waar hij toeziet hoe het werk van zijn vader eindelijk voltooid gaat worden. En dat werk... ligt daar in die wieg."
De baby begon zachtjes te huilen, alsof hij de spanning in de kamer voelde. Dat geluid sneed door mijn hart. Ik negeerde de vreselijke pijn in mijn lichaam, zwaaide mijn benen over de rand van het bed en ging staan. Mijn benen trilden hevig, maar ik weigerde om te vallen.
"U raakt hem niet aan," zei ik, mijn stem trillend van woede en angst. "U moet over mijn lijk om bij mijn kind te komen."
"Dat kan geregeld worden, mevrouw," antwoordde de tweede man zielloos, terwijl hij zijn hand naar zijn heup bracht.
"Wacht!" riep Dr. Vandenberg luid. Hij stak zijn handen omhoog. "Vance, luister naar me. De baby is nog niet stabiel! Als je hem nu verplaatst zonder de specifieke enzymenbehandeling die alleen ik kan toedienen, overleeft hij de reis naar het laboratorium niet eens. Het genetische syndroom is geactiveerd. Kijk naar zijn ogen!"
Vance aarzelde. Hij wierp een blik op het wiegje en daarna op Dr. Vandenberg. "Is dit een truc, dokter?"
"U kent de medische dossiers van de familie Vandenberg," zei Dr. Thomas snel, zijn ademhaling gejaagd. "Je weet wat er gebeurde met het eerste proefkonijn dertig jaar geleden. Het kind heeft binnen vierentwintig uur het serum nodig dat ik in de kluis van mijn kantoor bewaar. Zonder dat serum treedt er binnen enkele uren een hersenbloeding op."
Vance keek naar zijn compagnon en knikte kort. "Goed. U krijgt twee uur. U prepareert het serum en brengt het kind stabiel. Om exact acht uur komt er een ambulance aan de achterzijde van het ziekenhuis. Als u niet klaar bent, of als u de politie probeert in te schakelen, garandeer ik u dat Daniel de volgende zonsondergang niet meer meemaakt."
Vance boog zich voorover naar mij, zijn gezicht slechts centimeters van het mijne verwijderd. "En u, mevrouw... wees verstandig. U bent slechts een bijproduct van een heel oud experiment. Maak jezelf niet overbodig."
Met die woorden draaiden de twee mannen zich om en verlieten de kamer. De zware houten deur viel met een doffe klap dicht.
Ik stortte bijna in elkaar, maar Dr. Vandenberg ving me net op tijd op en hielp me terug op het bed. Mijn hart raasde als een wilde.
"Is het waar?" fluisterde ik, terwijl ik naar mijn huilende baby reikte en hem dicht tegen me aan drukte. "Is hij echt ziek? Of was dat een leugen om tijd te winnen?"
Dr. Vandenberg keek naar de gesloten deur. Zijn gezicht was grauw van de stress. Hij boog zich naar me toe en fluisterde zo zacht dat zelfs de muren het nauwelijks konden horen:
"Het was geen leugen over het serum... maar wel over waar het ligt. Het ligt niet in mijn kluis. Het ligt in het oude laboratorium onder het huis van Daniel's vader. En er is nog iets wat ze niet weten..."
"Wat?" vroeg ik ademloos.
Dr. Vandenberg keek me strak aan. "Daniel is niet ontvoerd. Hij heeft zichzelf overgegeven... om jou te beschermen. En hij heeft een bericht voor je achtergelaten op de achterkant van die foto."
Ik draaide de foto snel om. Onder de geboortedatum stond in heel kleine, bijna onleesbare letters geschreven: Zoek niet naar mij. Zoek naar de sleutel onder het bad.






