De Dokter Keek Naar Mijn Pasgeboren Zoon En Begon Plotseling Te Huilen
News Story

De Dokter Keek Naar Mijn Pasgeboren Zoon En Begon Plotseling Te Huilen

0 weergaven

Deel 15: Een Nieuwe Dageraad

Mijn vingers klemden zich zo hard om het stuur van de Jeep dat mijn knokkels wit uitsloegen. De zwarte wagen achter ons bleef op een constante afstand van ongeveer tweehonderd meter rijden. Geen zwaailichten. Geen sirenes. Alleen dat kleine, rode zoeklicht dat genadeloos op onze achterruit gericht bleef.

"Clara," zei ik met ingehouden adem. "Ze zijn er nog."

Clara keek in de zijspiegel. Haar gezicht was strak van de spanning. "Dat is onmogelijk... Julian heeft het hele laboratorium opgeblazen! Het DNA-profiel is gewist!"

"Aegis heeft altijd een plan B," fluisterde Daniel vanaf de bijrijdersstoel. Hij probeerde rechtop te gaan zitten, zijn hand stevig op zijn verbonden schouder gedrukt. "Het is geen gevechtseenheid... het is een observatieteam."

"Wat willen ze?!" riep ik uit, terwij ik Thomas dichter tegen me aan drukte. "We hebben niets meer! Het serum is op, het laboratorium is vernietigd, en Thomas' DNA is gewist!"

Daniel keek achterom naar de zwarte wagen. Een wrange, maar rustige glimlach verscheen op zijn gelaat.

"Rijd naar de grenspost van de nationale politie," zei Daniel tegen Clara. "Daar, bij de brug over de rivier."

Clara aarzelde niet. Ze trapte het gaspedaal dieper in. De oude Jeep brulde en schoot vooruit over de kronkelende bergweg. Vijf minuten later kwam de Franse grenspost in zicht. Het was een drukke, goed verlichte controlepost met meerdere politieagenten en douanebeambten.

Clara remde krachtig en zette de Jeep midden op de verlichte weg stil, vlak voor de slagbomen.

De zwarte wagen achter ons stopte ook, op een afstand van vijftig meter. Het portier van de bestuurder ging langzaam open.

Een man in een simpel grijs pak stapte uit. Hij drager geen wapen. Hij had geen zonnebril op. Hij zag eruit als een doodgewone kantoormedewerker. Hij liep langzaam naar onze Jeep toe, hield zijn handen openlijk zichtbaar en bleef op een meter afstand van mijn raam staan.

Ik draaide het raam een klein stukje open. "Blijf uit de buurt," zei ik waarschuwend.

De man keek me aan. Zijn blik bevat geen woede, geen superioriteit, maar een vreemde vorm van zakelijke berusting.

"Mevrouw Vandenberg," zei de man met een rustige, neutrale stem. "Ik ben niet gekomen om uw zoon mee te nemen. Mijn naam is Miller. Ik ben de curator van de juridische afdeling van de Aegis Foundation."

"De stichting is vernietigd," zei Daniel fel vanaf de bijrijdersstoel.

"De medische divisie is vernietigd," corrigeerde Miller hem zachtjes. "Dr. Eleanor Vance en Dr. Julian Vandenberg zijn dood. Hun dossiers zijn verbrand. En volgens onze centrale databank bestaat het genetische experiment niet meer. Het kind in uw armen is medisch gezien een volstrekt normaal individu."

"Waarom volgt u ons dan?!" vroeg ik scherp.

Miller haalde een klein, zwart lezer-apparaatje uit zijn binnenzak en legde het op de rand van mijn raam.

"Omdat we moesten verifiëren dat de DNA-overschrijving daadwerkelijk was voltooid," zei Miller. "Als het originele profiel nog zou bestaan, zou de raad van bestuur ons hebben bevolen u te elimineren. Maar het scherm van Dr. Julian's terminal heeft gewerkt. Voor de hele wereld... en voor onze investeerders... is uw zoon een genetische doodlopende weg."

Hij keek even naar de baby, die rustig lag te slapen.

"U bent vrij," zei Miller. "Aegis zal u nooit meer zoeken. U bestaat niet meer voor ons."

"Hoe weten we dat dit geen valstrik is?" vroeg Clara argwanend.

Miller glimlachte droog. "Omdat een valstrik geld kost, mevrouw. En uw zoon vertegenwoordigt geen enkele financiële waarde meer voor onze organisatie. Dat was het enige wat telt."

Hij deed een stap achteruit, boog zijn hoofd heel lichtjes naar mij, en liep terug naar zijn wagen. Hij stapte in, keerde de auto op de weg en reed langzaam weg, de duisternis van de bergen in.

De stilte die volgde was bijna onwezenlijk.

De Franse douane-agent liep naar onze Jeep toe en klopte vriendelijk op het raam. "Bonjour. Papiers, s'il vous plaît?"

Ik keek naar Daniel. Daniel keek naar mij.

We haalden de nieuwe papieren tevoorschijn die Julian voor ons had klaargelegd in het dashboardkastje van de Jeep. Nieuwe namen. Nieuwe identiteiten. Een schone lei.

De agent bekeek de papieren, wierp een vriendelijke blik op de baby in mijn armen, en glimlachte. "Alles is in orde, mevrouw. Welkom in Frankrijk. Fijne dag nog."

De slagboom ging omhoog.

Clara reed de brug over. Onder ons stroomde het heldere, glinsterende water van de rivier. Aan de horizon begon de zon op te komen, en het eerste gouden ochtendlicht verdreef de laatste schaduwen van de nacht.

Ik keek neer op mijn zoon. Thomas opende langzaam zijn oogjes. Ze waren helder, diepblauw en vol van leven. Geen moedervlek. Geen geheim. Geen vloek.

Daniel reikte naar achteren en pakte mijn hand vast. Onze vingers verstrengelden zich.

"Waar gaan we naartoe?" vroeg Clara zachtjes, terwijl de Jeep over de zonnige Franse landweg gleed.

Ik keek uit het raam, naar de eindeloze, groene velden die zich voor ons uitstrekten onder de open hemel.

"Naar huis," zei ik met een glimlach. "Eindelijk... naar huis."