DE SCHADUW VAN UBBERGEN
News Story

DE SCHADUW VAN UBBERGEN

112 weergaven

De stilte in de politiewagen werd plotseling loden zwaar. Het enige geluid was het zachte zoemen van de motor en het regelmatige tikken van de richtingaanwijzer toen de auto de snelweg richting Arnhem opdraaide. Bep klemde haar vingers zo strak om het kleine gouden medaillon dat de scherpe randen van het koperen sleuteltje 209 in haar palmen sneden.

Ze keek via de binnenspiegel terug naar inspecteur Bakker. De ogen van de rechercheur waren strak op de weg gericht, maar Bep merkte een subtiele verandering op in haar houding. De ontspannen, vriendelijke houding van zojuist was verdwenen. Bakkers handen klemden het stuurwiel met gebleekte knokkels vast.

'Inspecteur...' begon Bep voorzichtig, terwijl ze probeerde haar stem zo normaal mogelijk te laten klinken. 'We reden toch naar het bureau in Nijmegen? Waarom nemen we de afslag naar Arnhem?'

Bakker reageerde niet direct. Ze keek kort in de spiegel, haar blik koud en berekend. 'Plannen veranderen, Bep. Het hoofdbureau van de Nationale Recherche in de regio bevindt zich in Arnhem. We kunnen uw verklaring daar sneller afhandelen.'

'Maar mijn tas... de documenten van mijn vader,' zei Bep, terwijl ze de lederen tas iets dichter naar zich toe trok. 'U zei dat het gevaar geweken was.'

'Het gevaar is pas geweken als álles is opgeruimd,' antwoordde Bakker laconiek. 'En u heeft zojuist iets nieuws gelezen in dat dagboek, nietwaar? Ik zag het aan uw gezicht.'

Bep voelde een ijskoude golf van angst door haar maag snijden. De verpleegkundige... de undercoveragent... was zij wel wie ze zei dat ze was? Of maakte zij deel uit van een veel groter vertakking van het Netwerk van Arnhem dat zowel de familie Von Berg als de autoriteiten had geïnfiltreerd?

'Ik... ik weet niet waar u het over heeft,' loog Bep. 'Het waren alleen persoonlijke aantekeningen van mijn vader over mijn moeder.'

Bakker lachte zacht, een geluid zonder enige vrolijkheid. 'Bep, alstublieft. Onderschat mij niet. Ik zit al twaalf jaar op dit dossier. Denkt u nou echt dat Ger de enige was die door uw vader werd geïnstrueerd? Hendrik van Leeuwen heeft een netwerk van beveiligingen gebouwd dat decennia moest meegaan. Hij vertrouwde niemand. Zelfs de politie niet. En hij had gelijk.'

Bakker pakte met haar rechterhand haar portofoon en drukte op de knop. 'Post Arnhem, hier Bakker. We zijn onderweg met de sleutelhouder. Zorg dat de toegang tot de kelders van het oude Stadhuis is vrijgemaakt.'

Een kraakstem antwoordde door de luidspreker: 'Begrepen, Bakker. De teams staan gereed.'

Bep verstijfde op de achterbank. Haar gedachten raasden. Ze zat opgesloten in een rijdende auto, op de snelweg, met een vrouw die zojuist een van de gevaarlijkste criminele netwerken uit de regio bleek te leiden of op zijn minst te misbruiken voor haar eigen doeleinden.

'Waarom?' vroeg Bep met een haperende stem. 'Waarom wilt u locatie Beta? Wat is daar verborgen?'

Bakker keek Bep via de spiegel strak aan. 'Locatie Alpha in Ubbergen bevat het chemische middel, Bep. Dat was het wapen. Maar locatie Beta onder het Stadhuis van Arnhem... daar ligt het vermogen. De goudreserves van de provincie die in de laatste dagen van de oorlog door uw vader en zijn verzetsgroep zijn veiliggesteld en nooit zijn opgeëist. Miljarden aan ongeregistreerd goud en aandelen.'

'Mijn vader was geen dief!' schreeuwde Bep opnieuw, met tranen van woede in haar ogen.

'Uw vader was een strategist!' parreerde Bakker scherp. 'Hij wisse dat als hij het goud teruggaf aan de staat, de corrupte politici van na de oorlog het onder elkaar zouden verdelen. Dus sloot hij het op. Hij zette een dubbel slot op de geschiedenis. De sleutel van Ubbergen om de aandacht van de Von Bergs te trekken, en de sleutel van Arnhem, verborgen aan de hals van zijn eigen dochter, als het werkelijke geheim.'

De auto verliet de snelweg en reed de stille, vroeg-ochtendlijke straten van het centrum van Arnhem binnen. De straatlantaarns doofden langzaam toen het ochtendlicht over de stad begon te dringen. Bep keek wanhopig uit het raam. Er was niemand op straat. Geen voorbijgangers, geen winkelend publiek. Alleen de grijze, monumentale gevel van het oude Stadhuis van Arnhem doemde in de verte op.

Bakker parkeerde de wagen aan de achterzijde van het stadhuis, bij een zware eikenhouten poort die op een kier stond. Twee mannen in zwarte tactische kleding stapten uit de schaduw van de poort naar voren.

'Stap uit, Bep,' zei Bakker, terwijl ze haar eigen pistool trok en het op Bep richtte. 'Maak geen scènes. We gaan naar beneden, je opent kluis 209, en daarna mag je in alle rust van je pensioen gaan genieten. Ik meen het. Ik hoef je geen kwaad te doen, zolang je meewerkt.'

Bep keek naar het pistool, en daarna naar het kleine koperen sleuteltje in haar hand. Ze wist dat zodra kluis 209 geopend zou worden, haar nut voor Bakker voorbij zou zijn. Ze zou een getuige zijn die te veel wist.

'En als ik weiger?' vroeg Bep standvastig.

Bakker trok haar wenkbrauw op. 'Dan neem ik het sleuteltje uit je dode hand en zoek ik zelf de kluis. De keuze is aan jou.'

Bep haalde diep adem. Ze stapte uit de auto. De koude ochtendlucht van Arnhem sloeg in haar gezicht. Ze keek naar de zware houten poort van het stadhuis.

Terwijl ze onder begeleiding van Bakker en de twee gewapende mannen door de donkere gangen van het stadhuis liep, bedacht Bep zich iets wat haar vader altijd tegen haar zei als ze als kind bang was in het donker: ‘Bepje, de grootste kracht van een slot is niet het ijzer, maar de illusie dat er maar één manier is om het te openen.’

Ze daalden een lange, stenen wenteltrap af die diep onder de fundering van het middeleeuwse stadhuis leidde. Aan het einde van de trap kwamen ze bij een zware, gewelfde kelderruimte met dikke bakstenen muren.

In de achterwand van de kelder bevond zich een gigantische, ronde stalen kluisdeur. In het midden van de deur blonk een messing plaat met het ingegraveerde nummer: 209.

'Open het,' beval Bakker, terwijl ze een stap naar voren zette.

Bep liep langzaam naar de kluisdeur. Ze keek naar het kleine sleutelgat. Maar toen ze het koperen sleuteltje uit haar medaillon wilde steken, zag ze iets vreemds. Aan de onderkant van de messing plaat zat een klein, rood controlelampje dat zachtjes knipperde.

Het was een modern, elektronisch beveiligingssysteem gekoppeld aan de oude mechanische sluiting.

Bep glimlachte bitter. Haar vader was in de jaren tachtig niet alleen een oude man geweest; hij had de nieuwste technologieën gebruikt om zijn geheim te beschermen.

'Wat is er?' vroeg Bakker argwanend.

'Mijn vader heeft dit slot geüpgraded vlak voor zijn dood,' zei Bep, terwijl ze zich omdraaide naar Bakker. 'Het koperen sleuteltje opent alleen het mechanische deel. Maar het elektronische deel vereist een biometrische scan. Een vingerafdruk.'

'Van wie?' snauwde Bakker.

'Van de bloedlijn van Hendrik van Leeuwen,' zei Bep rustig. 'Van mij.'

Bakker vloekte binnensmonds en duwde Bep ruw naar voren. 'Druk je duim op die plaat! Nu!'

Bep legde haar duim op de messing plaat onder sleutelgat 209. Maar in plaats van de kluis te openen, drukte ze met haar vingernagel op een piepklein, verborgen knopje aan de zijkant van de plaat—een knopje dat ze alleen herkende omdat haar vader een exact identiek kluisje in zijn bureau thuis had gehad.

Het rode lampje begon razendsnel te knipperen en veranderde in een fel, alarmsignaal.

BEEP! BEEP! BEEP!

Een luid, oorverdovend alarmsignaal weerklonk door de kelder van het stadhuis, en boven aan de trap klonk plotseling het geluid van zware laarzen en schreeuwende stemmen.

'Politie! Geen beweging! Handen omhoog!'

Bakker keek vol afgrijzen naar de trap. 'Wat heb je gedaan?!'

'Mijn vader vertrouwde niemand,' zei Bep met een lichte twinkel in haar ogen. 'En ik ook niet.'