DE SCHADUW VAN UBBERGEN
News Story

DE SCHADUW VAN UBBERGEN

112 weergaven

Het schelle, krijsende geluid van het zaagblad dat zich door het verroeste staal van de kelderdeur werkte, sneed Bep door de ziel. Fonken vlogen waarschijnlijk aan de andere kant in het rond. Ze wist dat ze hooguit tien tot vijftien minuten had voordat de man met het litteken en zijn eventuele handlangers het slot hadden doorgesneden.

Haar handen trilden toen ze een tweede lucifer afstreek. Met het kleine, wankele lichtje boog ze zich voorover naar de vloer, waar het geraamte lag. Bep voelde een vlaag van misselijkheid opkomen, maar de instinctieve wil om te overleven was sterker dan de angst voor de dood. Ze keek naar de lederen tas die de dode man kramphaftig vastklemde.

Met een zachte krak trok ze de riemen van de tas los. Het leer was stug en verdroogd, maar de inhoud was wonderwel gespaard gebleven voor vocht. Binnenin zat een dik, met leer gebonden dagboek en een stapel gelelde documenten met stempels uit de Tweede Wereldoorlog en de decennia daarna. Op het voorblad van het dagboek stond in een strak, bekend handschrift één naam geschreven: Dr. Hendrik van Leeuwen, 1962.

'Vader...' fluisterde Bep.

Het geraamte op de vloer was niet haar vader; haar vader was immers vijftien jaar geleden in het ziekenhuis gestorven en gecremeerd. Maar wie was deze man in de doktersjas dan?

Ze bladerde haastig door de eerste pagina's van het dagboek terwijl het geluid van de metaalzaag steeds harder en doordringender werd. De letters dansten voor haar ogen in het wankele luciferlicht.

14 november 1988, las ze hardop in een fluistering. 'De druk van de organisatie wordt onmenselijk. Ze denken dat ik de coördinaten van het transport uit 1944 alleen voor mezelf wil houden. Ger heeft me gewaarschuwd dat ze een aanslag beraamt. Ik heb Dr. Bernard hiernaartoe gehaald om de medische dossiers en de microfilms te classificeren, maar we zitten vast. Bernard is zwaar ziek. Als ik dit pand verlaat om hulp te halen, riskeren we dat alles in handen valt van het Netwerk van Arnhem.'

Bep lachte bitter. Het Netwerk van Arnhem. Als kind had ze haar vader die term wel eens horen fluisteren als hij dacht dat Bep en haar zus sliepen. Ze had altijd gedacht dat het ging om een oude legende over smokkelaars langs de Rijn. Maar het was reëel. En het was nooit opgelost.

In het dagboek gleed een losse foto uit de pagina's. Bep raapte hem op. De lucifer doofde, en ze haastte zich om een derde aan te steken. Op de zwart-witfoto stonden drie jongemannen voor de voordeur van exact dit huis in Ubbergen. Links stond haar vader, Hendrik, strak in het pak. Rechts stond Ger, jong, met een open blik. En in het midden stond een man met een doordringende blik en een diep, rood litteken op zijn linker jukbeen.

Bep snakte naar adem. De man die buiten bij de trap stond, was geen vreemde van het netwerk. Hij was een van de oorspronkelijke mannen op die foto! Maar hij zag er nauwelijks ouder uit dan zestig op de foto van toen. Hoe kon de man buiten dan precies dezelfde persoon zijn? Was het zijn zoon? Zijn opvolger?

BRRRRRR... KRRRRR!

Een luid metalen gekletter klonk door de ruimte. Het slot van deur 109 gaf mee. Aan de bovenkant van de deur ontstond een opening van een paar millimeter, waar een dunne straal fel wit licht van een halogeenlamp doorheen sneed.

'Ik ben er bijna, Bep!' galmde de stem van de man door de kier. 'Je vader heeft Bernard hier laten creperen in de duisternis, en jij gaat precies hetzelfde meemaken als je die tas niet nu door de opening duwt!'

Bep wist dat ze geen tijd meer had te verliezen. Ze propte het dagboek en de stapel documenten in haar eigen jas en gespte de oude lederen tas weer dicht om haar schouder. Ze haastte zich naar de achterwand van de kamer, waar het grote stalen luik van de nooduitgang zat.

Het draaiwiel was bedekt met een dikke laag roest en spinnenwebben. Bep pakte de spaken vast en zette al haar gewicht ertegenaan.

'Kom op... alsjeblieft... kom op!' kermde ze.

Het wiel gaf geen krimp. Aan de voordeur werd met een zware hamerslag tegen het verzwakte slot geslagen. Het staal verbog met een afschuwelijk gekrijs. Nog twee slagen en de deur zou openvliegen.

Bep keek paniekerig om zich heen. Op het bureau lag een zware koperen papiergewicht in de vorm van een anker. Ze greep het gewicht, rende terug naar het luik en sloeg met volle kracht tegen de verroeste spaken van het draaiwiel.

KLANG! KLANG! KLANG!

Roest schilderde af en vloog in haar gezicht. Bij de derde slag bewoog het wiel een paar millimeter. Bep klemde haar handen om de spaken en trok met een wanhopige schreeuw.

Het wiel begon te draaien. Met een dof, luchtdicht geluid ontgrendelde het luik.

Op hetzelfde moment vloog de stalen deur 109 met een harde knal open. Het felle licht van de halogeenlamp verblindde Bep volledig.

'Halt!' schreeuwde de man met het litteken, terwijl hij zijn zaklamp op haar richtte en een donker pistool uit zijn jas trok.

Bep bedacht zich geen seconde. Ze trok het zware stalen luik open, liet zich achterover in de pikzwarte, schuine schacht glijden en duwde het luik met haar voeten uit alle macht weer dicht.

Ze gleed op haar rug door een gladde, vochtige betonnen pijp naar beneden. Het was alsof ze de diepte van de aarde in werd gesleurd. Boven haar klonk een gedempt schot, en een kogel ketste met een hels kabaal af op het metaal van de sluiting.

Na een glijpartij van minstens dertig meter kwam Bep met een doffe klap neer op een ondergrond van natte klei en kiezelstenen. De lucht hier was ijskoud en rook sterk naar stilstaand rivierwater.

Ze lag op de grond, naar adem snikkend. Boven haar was het stil. Maar ze wist dat het luik het niet lang zou houden als ze van bovenaf het wiel zouden forceren.

Bep richtte zichzelf op in het duister. Ze voelde aan de zakken van haar jas; het dagboek was er nog. Maar toen ze haar hand over de wand van de tunnel liet glijden om haar weg te zoeken, voelde ze dat het beton ophield en plaatsmaakte voor ruwe, uitgekapte rotsen.

Plotseling zag ze in de verte een zwak, groenachtig licht schijnen. Het kwam niet van een lamp, maar van een vreemd, fluorescerend soort mos dat op de muren groeide. En onder dat licht stond iets wat Bep haar adem deed stokken.

In de ondergrondse gang stond een verroeste legertruck uit de jaren veertig, half verzonken in de modder. En op de laadbak stonden tientallen houten kisten gestapeld, allemaal voorzien van een zwarte, ingebrande stempel met een adelaar en een serienummer.

Achter haar klonk het geluid van het luik dat daarboven werd opengedraaid.