Het Geheim van het Drinkpakje
News Story

Het Geheim van het Drinkpakje

7 weergaven

Het scherpe geluid van het verbrijzelde glas echode na in de krappe cabine van de auto. Mia gilde achterin en dook weg onder de deken die nog op de achterbank lag. Ik klemde mijn handen zo hard om het stuur dat mijn knokkels wit uitsloegen, trapte het gaspedaal diep in en liet de motor gieren terwijl we de hoek om scheurden, weg van de donkere straat.

Mijn gedachten raasden sneller dan de wielen op het natte asfalt. Een vuurwapen. David had een pistool met een geluiddemper gebruikt. Dit was geen zakelijk conflict meer over een valse stichting of een alimentatieregeling; dit was georganiseerde misdaad. En ik, een simpele basisschooldocente uit Arnhem, zat er middenin met een kind van zeven.

Na twintig minuten doelloos door de rafelranden van Arnhem te hebben gereden—via industrieterreinen en donkere polderwegen om er zeker van te zijn dat we niet werden gevolgd—parkeerde ik de wagen achter een vervallen transformatorhuisje nabij de Rijn. De regen kletterde gestaag op het dak van de auto.

Het was stil, afgezien van het zware ademhalen van ons beiden.

Ik draaide me om naar de achterbank. "Mia? Ben je gewond?"

Mia kwam langzaam tevoorschijn onder de deken. Haar gezichtje was lijkbleek, maar ze schudde haar hoofd. "Nee, mam. Maar... is papa een slechte man?"

De vraag snijd dieper dan welke kogel ook. Wat vertel je een kind wiens vader net op haar moeder heeft laten schieten?

"Papa is... in de war, schatje," loog ik met moeite. "Hij maakt hele grote fouten. En we moeten zorgen dat we veilig zijn." Ik haalde diep adem, probeerde mijn stem zo rustig mogelijk te houden en vroeg: "Mia, vertel me eens over dat zwarte apparaatje. Hoe ben je daaraan gekomen?"

Mia wreef over haar ogen en trok haar knieën op naar haar borst. "Toen papa vorige week zei dat ik in de speelkamer moest blijven omdat hij bezoek kreeg, vond ik het saai. Ik ging door de geheime deur achter de kledingkast naar zijn studeerkamer. Dat spelletje deden we vroeger altijd, weet je nog?"

Ik knikte. Bas had in zijn luxe villa in Velp inderdaad een grote wandkast die toegang gaf tot zijn kantoor.

"Ik zat onder het bureau," ging Mia verder, haar stemmetje nauwelijks hoorbaar boven het getik van de regen. "En toen zag ik dat zwarte doosje op de rand liggen. Papa en die grote meneer begonnen heel hard te praten over opa. Papa zei dat opa iets ontdekt had over 'de Stichting Welzijn Arnhem' en dat opa niet wou zwijgen. En toen drukte papa op dat knopje van het doosje en legde het neer. Ik dacht dat het een speelgoedtelefoontje was... dus toen ze naar de keuken gingen om whisky te pakken, heb ik het gepakt en in mijn drinkpakje gestopt."

Een koude rilling liep over mijn rug. Mijn vader, ir. Hendrik van Leeuwen, was vóór zijn dood penningmeester geweest van diverse regionale liefdadigheidsinstellingen, waaronder Stichting Welzijn Arnhem. Twee jaar geleden slipped hij met zijn wagen van de weg op de A12. De politie concludeerde toen dat hij het macht over het stuur was kwijtgeraakt door aquaplaning. Maar de opname liep niet om bestwil: mijn vader was vermoord omdat hij erachter was gekomen dat de stichting werd gebruikt om geld wit te wassen. And Bas zat er tot over zijn oren in.

Ik haalde de zwarte spraakrecorder uit mijn zak en bekeek hem zorgvuldig onder het zwakke lampje van de auto-interieurverlichting. Het apparaatje had een klein display waarop een nummertje knipperde: 02/15. Er stonden dus meer opnames op.

Mijn vingers trilden toen ik naar het volgende bestand navigeerde en op afspelen drukte.

De stem van Bas klonk weer, ditmaal klinkend alsof hij in een grote, holle ruimte stond.

"Het overschrijvingsformulier is getekend met Hendrik's vervalste handtekening. Vijf miljoen euro uit het fonds voor achterstandswijken is doorgesluisd naar de BV in Cyprus. Zolang Hendrik's dochter geen vragen stelt, is het dossier gesloten. Maar voor de zekerheid moeten we de fysieke kasboeken uit het archief van de oude kluis in Oosterbeek halen voordat de accountant de jaarcontrole doet."

Een tweede stem, zakelijk en vrouwendirect, onderbrak hem: "En het archief sleuteltje? Dat had Hendrik altijd bij zich."

Bas lachte, een droge, kille klank. "Die oude man droeg het altijd aan een koperen ketting om zijn nek. Het ligt waarschijnlijk ergens in het wrak op de schrootwerf, of zijn dochter heeft zijn spullen bewaard in haar opslagbox."

Mijn adem stokte. De spullen van mijn vader.

Toen mijn vader overleed, kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om zijn persoonlijke bezittingen weg te gooien. Alles—zijn papieren, zijn oude rekenmachine, zijn koperen kettinkjes en zijn verzameling notitieboekjes—stond opgeslagen in een kleine, gehuurde opslagbox aan de rand van de industriewijk in Oosterbeek.

Bas wist het waarschijnlijk niet precies, of dacht dat ik het al lang opgeruimd had. Maar als de fysieke kasboeken daar niet lagen, lag wél de sleutel er nog die toegang gaf tot de kluis van de stichting. De kluis waarin de harde bewijzen lagen van de witwaspraktijken én de moord.

Ik keek op het klokje van het dashboard. Het was 02:45 uur.

"Mam?" vroeg Mia zachtjes. "Waar gaan we naartoe?"

"We gaan naar de spullen van opa kijken, schatje," zei ik, terwijl ik de auto weer in de versnelling zette. "Opa heeft ons iets nagelaten dat ons gaat helpen."

Ik reed voorzichtig de weg op, steeds spiegelend of er lichten achter ons opdoemden. De regen werd heviger, en het zicht was slecht. Maar toen ik de afslag naar het industrieterrein in Oosterbeek naderde, zag ik in de verte iets dat mijn bloed deed stollen.

Bij de ingang van het opslagcomplex stond een zwarte SUV geparkeerd, met de lichten gedoofd. En het hek van het terrein stond wijd open.