Het geluid van de stem van Bas door de brievenbus sneed als een ijspegel door mijn ziel. De manier waarop hij mijn naam uitsprak, doordrenkt met een ingehouden woede en een ijskoude superioriteit, liet geen twijfel bestaan over zijn intenties. Hij wist het. Hij wist dat de opname in mijn bezit was, dat de leugen die hij zo nauwkeurig opgebouwd had over de dood van mijn vader en de stichting ontmaskerd was.
Mijn hart hamderde woest tegen mijn ribbenkast. Met trillende vingers graaide ik het zwarte spraakrecordertje van de vloer, stak het diep in de zak van mijn spijkerbroek en klemde de kleine houten snijplank vast alsof het een schild was.
"Elena, maak de deur open," klonk de stem opnieuw, nu luider, vergezeld van het metaalachtige gekletter van de brievenbus die heen en weer klepperde. "We kunnen dit als volwassenen oplossen. Geef me wat er van mij is, en we praten niet meer over het weekend."
"Ga weg, Bas!" schreeuwde ik, al sloeg mijn stem halverwege over van pure paniek. "Ik bel de politie!"
Aan de andere kant van de deur klonk een korte, hese lach. Het was niet de lach van de man met wie ik zeven jaar getrouwd was geweest. Het was het geluid van een vreemde, een meedogenloos roofdier. "Ga je gang, Elena. Bel de politie. En wat ga je ze vertellen? Dat je ex-man op de deur klopt omdat hij bezorgd is over zijn dochter? Wie denk je dat ze geloven? De man met de bankrekeningen, de advocaat en het maatschappelijke aanzien, of de hysterische, schuldige moeder die op het punt staat haar kind kwijt te raken?"
Hij had gelijk. De politie zou dit afdoen als een relationeel conflict, een zoveelste escalatie tussen een vechtend ex-paar. En tegen de tijd dat ze arriveerden, zou het te laat zijn.
Achter mij ging het deurtje van Mia's slaapkamer met een zacht gekraak open. Ik draaide me bliksemsnel om. Mia stond in de deuropening, gehuld in haar roze pyjama met konijntjes. Haar gezichtje was pips, maar haar ogen waren verrassend helder en vrij van tranen. Ze streek haar dunne blonde haren uit haar voorhoofd en keek me aan met een blik die mijn hart deed breken.
"Hij is niet alleen, mam," fluisterde ze. "De man van de auto is er ook."
David. De man met de rasperige stem van de tape. De man die gesproken had over het 'ongeluk' van mijn vader op de A12. Een vlaag van adrenaline spoelde de verlammende angst uit mijn spieren. Ik mocht niet opgeven. Niet nu. Niet zolang Mia aan mij was toevertrouwd.
Een luide, doffe klap liet de houten deurpost kraken. Bas probeerde de deur in te trappen. Het verroeste nachtslot schudde gevaarlijk.
"We moeten weg," fluisterde ik. Ik rende naar Mia toe, tilde haar op en zette haar neer bij de keukentafel. "Pak je schoenen, Mia. Snel!"
Terwijl het kind met verbazingwekkende kalmte haar klittenbandschoenen aantrok, snelde ik naar de keukenkast. Ik graaide mijn handtas, de autosleutels en een dikke trui voor Mia mee. De voordeur kreeg een tweede klap. Een barst splitste het verfwerk ter hoogte van het slot. Longen vol ijskoude lucht pappend, greep ik Mia bij de hand en trok haar mee naar de achterzijde van ons appartement.
Ons appartement lag op de eerste verdieping van een oud, matig onderhouden complex in de wijk Geitenkamp. Aan de achterkant van de keuken bevond zich een smal balkontje dat uitkeek op een donkere, overwoekerde binnentuin en de steeg waar de vuilcontainers stonden. Er was geen brandtrap, maar het dak van de onderliggende bergingen lag ongeveer tweeënhalf meter lager.
"Mam, het is hoog," zei Mia toen ik het schuifraam van de keuken opengooide. De snijdende herfstwind sloeg meteen naar binnen.
"Ik weet het, schatje, maar we moeten springen. Ik ga eerst, en dan vang ik je op, oké? Je moet me vertrouwen."
Mijn handen klemden zich vast aan de betonnen rand van het balkon. Ik zwaaide mijn benen eroverheen. Mijn hart zat in mijn keel. Hier beneden lag het platte dak van bitumen. Als ik verkeerd terechtkwam, brak ik mijn enkels. Maar het alternatief—wachten tot de voordeur het begaf—was geen optie.
Met een luide kraak werd de voordeur aan de voorkant ingebeukt. Ik hoorde het hout splinteren en het zware gestamp van voeten in de gang.
"Elena!" brulde Bas vanuit de woonkamer.
Geen tijd meer. Ik liet me zakken, hing even aan mijn vingertoppen en liet me vallen.
De landing was keihard. De schok dreunde door mijn knieën en mijn rug, en de pijn schoot door mijn enkels. Ik struikelde over het ruwe bitumen, maar wist me overeind te krabbelen.
"Mia! Nu!" schreeuwde ik gedempt, terwijl ik mijn armen uitstrekte.
Mia aarzelde geen seconde. Ze klom op de balustrade en liet zich met een kleine kreet vallen. Ik ving haar op; het gewicht van haar kleine lichaampje sloeg de lucht uit mijn longen, en samen rolden we over het dak van de schuur.
Boven ons, bij het keukenraam, verscheen het silhouet van een brede man. Niet Bas, maar een grotere, gespierde gedaante in een donkere regenjas. David. Het omgevingslicht gevangen in zijn kille, diepliggende ogen.
"Rennen!" beet ik Mia toe.
We krabbelden over de rand van het schuurdak naar de regenpijp, lieten ons het laatste stuitje naar de drassige grond vallen en sprintten de steeg in. Achter ons hoorde ik het raamkozijn van de keuken splijten onder het gewicht van de man die achter ons aan wilde klimmen.
We rennen door de stikdonkere steeg, de natte bladeren klevend aan onze schoenen. Mijn oude Peugeot 206 stond twee straten verderop geparkeerd onder een kapotte lantaarnpaal. Met trillende vingers drukte ik op de afstandsbediening van de sleutel. De auto klakte open.
Ik stopt Mia op de achterbank, gooide de deur dicht en sprong achter het stuur. De motor hoestte, sputterde, maar sloeg gelukkig aan. Ik trapte de koppeling in, zette de wagen in zijn achteruit en scheurde het parkeervak uit net op het moment dat er twee gedaanten aan het begin van de straat verschenen.
Bas en David.
In de achteruitkijkspiegel zag ik hoe David naar de binnenzak van zijn jas reikte en er een langwerpig, donker voorwerp uit trok.
Toen klonk er een doffe knal, en het glas van mijn linker buitenspiegel spatte in duizend scherven uiteen.






