De houten deur die de expeditie-ruimte scheidde van het trappenhuis gaf het op met een luid gekraak. Het spaanplaat splinterde uiteen, en het massieve silhouet van David verscheen in de opening.
Zijn gezicht was zwart van het bluspoeder, zijn ogen bloeddoorlopen van de chemische stoffen en zijn hoed was verdwenen. Hij zag er niet langer uit als een machtige man die in de schaduw aan de touwtjes trok; hij zag er uit als een gewond, dodelijk gevaarlijk dier.
Achter hem kwam Bas de ruimte binnen. Het smetteloze grijze maatpak was ruw geworden, zijn das hing los om zijn nek en de sleutel van de kluis lag als een verloren droom achter hem in de kelder.
"Elena..." siste Bas, terwijl hij langzaam op ons af stapte. "Denk je echt dat die politiesirenes jou gaan redden? Tegen de tijd dat ze door de geblokkeerde hoofdingang zijn, liggen jullie drieën in de Rijn."
David hief het pistool. Zijn hand trilde lichtjes van de uitputting en de woede, maar op een afstand van vijf meter kon hij niet missen.
"Geef het recordertje," zei David met zijn rasperige stem. "En de echte kluissleutel. Nú."
Ik keek naar Frank, die voorzichtig achter een stapel houten pallets stapte. Ik keek naar Mia, die zich achter mijn benen verschuilde en mijn spijkerbroek strak vasthield.
Ik wist dat dit het moment was. Er was geen ruimte meer om te onderhandelen, geen uitweg meer door te rennen.
"De sleutel?" vroeg ik met een rustige stem. Ik reikte met mijn hand in de hals van mijn trui en haalde de echte, glimmende koperen kluissleutel aan de ketting tevoorschijn. "Wil je hem echt zo graag hebben, Bas?"
Bas deed een stap naar voren, zijn ogen gefixeerd op het koper. "Geef hem hier."
"Vang," zei ik.
Met al de kracht die in me zat, slingerde ik de koperen sleutel niet naar Bas, maar door de kier van de grote, stalen roldeur aan de achterzijde van de expeditie-ruimte—recht de diepe, natte Rijn in die achter het bankgebouw langs stroomde.
Een kleine plons klonk ergens in de duisternis van de rivier.
"NEE!" schreeuwde Bas. Hij rende als een bezetene naar de roldeur en staarde wanhopig over de rand van de kade naar het zwarte, kolkende water. Het bewijs, de toegang tot de miljoenen van de stichting, was voorgoed verdwenen in de modderige bodem van de rivier.
David vloekte en richtte de loop van zijn wapen recht op mijn borst. "Dan eindigt het hier voor jou, trut."
Zijn vinger begon de trekker over te halen.
"POLITIE! HANDEN OMHOOG!"
Een oorverdovende knal weerklonk toen de stalen roldeur van de expeditie-ruimte met een gigantische klap door een ram meedogenloos werd geramd.
Een team van de Dienst Speciale Interventies (DSI), gehuld in zwarte kogelvrije vesten en gewapend met automatische geweren, stormde de ruimte binnen. Felle laserstralen doorkruisten de met poeder gevulde lucht en richtten zich op de borst van David en Bas.
"WAPEN LATEN VALLEN! NÚ!" schreeuwde de commandant van het team.
David aarzelde één seconde. De kille realiteit drong tot hem door: hij was omsingeld, gevangen op heterdaad in een bankgebouw met een getrokken vuurwapen. Met een vloek liet hij het pistool op de betonnen vloer vallen en stak zijn handen in de lucht.
Bas stak zijn handen ook omhoog, maar zijn gezicht veranderde bliksemsnel weer in de gladde, arrogante houding die hij in de rechtbank had getoond.
"Agenten! Gottijdelijk bent u er!" riep Bas met een gespeeld opgeluchte stem. "Deze vrouw—mijn ex-vrouw—is psychotisch! Ze heeft mijn dochter ontvoerd en mij en mijn zakenpartner hier in de val gelokt! Ze is gevaarlijk!"
De commandant van het DSI-team keek naar Bas, keek naar het pistool op de grond, en keek vervolgens naar mij—een uitgeputte moeder die haar kind stevig vasthield, geflankeerd door een oudere man met een bril.
Ik greep in mijn zak, haalde het zwarte spraakrecordertje tevoorschijn en hield het omhoog.
"Mijn naam is Elena van Leeuwen," zei ik luid en duidelijk. "En op dit apparaat staat de bekentenis van deze twee mannen over de moord op mijn vader, Hendrik van Leeuwen, en de verduistering van vijf miljoen euro."
De commandant knikte naar zijn mannen. Twee agenten stapten naar voren, duwden Bas en David ruw tegen de muur en sloegen de stalen handboeien om hun polsen.
Bas keek over zijn schouder naar mij terwijl hij afgevoerd werd. Zijn ogen stonden vol haat. "Dit is nog niet voorbij, Elena," fluisterde hij.
Maar ik keek hem niet eens meer aan. Ik knielde neer op de vloer, sloeg mijn armen om Mia heen en hield haar vast alsof ik haar nooit meer zou loslaten.






