"Fleur, luister heel goed naar me," zei ik met een stem die trilde van angst, terwijl ik de motor van de auto direct weer startde. "Doe de voordeur op slot, ga naar de bovenverdieping en verstop je in de oude kledingkast op jouw slaapkamer. Doe het licht uit en open de app op je telefoon waarmee je mijn live locatie kunt volgen. Ik kom eraan!" "Pap, ze bonken op de deur!" hoorde ik Fleur door de telefoon roepen, gevolgd door een harde klap op hout en het geluid van brekend glas. De verbinding werd abrupt verbroken. "Snel, Sophie, we moeten terug!" schreeuwde ik, terwijl ik het stuur omgooide en de auto met gierende banden de snelweg op reed. Sophie hield zich met beide handen vast aan het dashboard, haar gezicht bleek van schrik. "Jan, als dat de mannen van Willem zijn, lopen we recht in een hinderlaag!" "Dat kan me niet schelen! Mijn dochter is daar!" brulde ik, terwijl ik het gaspedaal diep in trapthe. De naald van de snelheidsmeter schoot omhoog naar 140 kilometer per uur, de ruitenwissers sloegen razend heen en weer in de stromende regen die inmiddels weer was losgebarsten. De rit van twintig minuten voelde als een eeuwigheid. Mijn gedachten werden verscheurd door angst: was ik te laat? Hadden ze haar al meegenomen? Toen ik onze straat in Loosdrecht inreed, zag ik meteen dat het mis was. Er stonden twee zwarte busjes zonder kenteken geparkeerd voor ons huis, hun motoren draaide stationair, de uitlaatgassen vormden witte wolken in de koude nachtlucht. De voordeur van ons huis stond wagenwijd open, het glas lag verspreid over de stoep. Ik remde met een scherpe slip voor het huis, gooide het portier open en sprong naar buiten, gevolgd door Sophie die me waarschuwend bij mijn arm greep. "Jan, wacht! Bel de echte politie!" "Daar is geen tijd voor!" riep ik, en ik stormde het huis binnen. De hal was donker en verlaten, maar er hing een scherpe geur van sigarenrook en agressie. Overal lagen spullen op de grond; fotolijstjes waren stukgeslagen, de eettafel stond scheef. "Fleur!" riep ik door het lege huis, mijn stem galmde hol door de gangen. Geen antwoord. Ik rende de trap op naar boven, de treden krakend onder mijn voeten. De slaapkamerdeur van Fleur stond open. Ik liep naar binnen en zag dat de kledingkast op een kier stond. Met een kloppend hart trok ik de deuren open. Fleur zat ineengedoken in de hoek, haar ogen groot van angst, haar handen voor haar mond geslagen. Ze beefde over haar hele lichaam, maar ze leefde nog. "Pap..." fluisterde ze, en ze liet zich in mijn armen vallen. Ik hield haar stevig vast, mijn tranen vermengden zich met haar haar. "Stil maar, lieverd, ik ben hier," zei ik met een hete adem. "Ze zijn weg. Je bent veilig." Maar toen we naar buiten keken vanuit het raam, zagen we de twee zwarte busjes met hoge snelheid wegrijden in de verte. Ze hadden Fleur niet meegenomen, of ze waren gestoord door onze komst. Maar op het bed in haar kamer lag iets achtergelaten. Een klein, rood uitroepteken gedrukt op een stuk papier, met daaronder een handgeschreven boodschap van Willem de Witt: Dit was pas de warming-up. De echte klap komt morgen.

News Story





