DEEL 9 — De Schaduw op de Snelweg
De verlaten N-weg tussen Maastricht en Heerlen lag erbij als een zwart, glimmend lint in de natte nacht. De mist was inmiddels zo dicht geworden dat de gele straatlantaarns slechts een fletse, spookachtige gloed verspreidden over het asfalt. Mijn ruitenwissers tikten met een eentonig, slaapverwekkend ritme heen en weer, maar van slaap was bij mij geen sprake.
De adrenaline gierde nog steeds door mijn aderen, en elk klein schaduwtje in mijn achteruitkijkspiegel deed mijn hart overslaan. Na ongeveer tien minuten rijden viel me iets op. Achter me reed al een hele poos een donkere stationwagen. In het begin had ik gedacht dat het zomaar een late forens of een vrachtwagenchauffeur was, maar de auto hield al Sinds de afrit van het ziekenhuis exact dezelfde afstand tot mij aan.
Als ik langzamer ging rijden, vertraagde die wagen ook; als ik optrok, kwam hij weer angstaanjagend dichtbij. En wat het meest verdacht was: de koplampen leken vreemd afgesteld, of ze reden met dimlicht door de dichte mist om hun kentekenplaat aan het zicht te onttrekken. Mijn maag samentrok zich pijnlijk. Hadden ze me inderdaad opgemerkt toen ik wegreed?
Stuurde Tom zijn handlangers achter me aan om te zorgen dat ik meester Benders nooit zou bereiken? "Rustig blijven, Laura," prevelde ik in mezelf, terwijl ik krampachtig het stuur vasthield. "Niet in paniek raken." Ik besloot een test te doen. Bij de volgende kruising, waar de weg afsloeg richting Valkenburg, gaf ik abrupt richting aan en nam de scherpe bocht naar rechts, een secundaire weg op die door de bosrijke heuvels leidde.
In de achteruitkijkspiegel zag ik de donkere schim van de andere auto aarzelen, maar binnen twee seconden verscheen hij opnieuw in de bocht achter me, zijn motor zwaar brommend in de stilte van de nacht. Het was geen toeval meer. Ze achtervolgden me. De angst sloeg als een vlam in de pan. De weg werd smaller, kronkeliger en gladdem door de natte bladeren die van de bomen waren gevallen.
Mijn kleine sedan gleed even weg in een scherpe bocht, en ik moest al mijn stuurmanskunst gebruiken om de wagen op de weg te houden. Achter me kwam de achtervolger steeds dichterbij. Ik zag nu duidelijk de contouren van een zware, moderne Duitse auto, waarvan de grill dreigend opdoemde in het donker. Ze wilden me van de weg drukken. Of erger. Ik trapte het gaspedaal dieper in.
De motor gierde en de snelheidsmeter klom omhoog naar de tachtig, negentig, honderd kilometer per uur, ver boven wat verantwoord was in deze dichte mist. Bomen flitsten als zwarte spoken aan me voorbij. Mijn handen gleden bijna van het klamme stuur door het zweet. Voor me lag een scherpe T-splitsing waar de weg uitkwam op een grotere verbindingsweg naar Heerlen.
Als ik hier niet oppaste, zou ik rechtdoor door de vangrail schieten. Ik remde abrupt, voelde de ABS-remmen ratelen en slingerde de bocht om. De achtervolger nam de bocht met piepende banden, maar verloor blijkbaar even de controle, want ik zag in mijn spiegel dat hij een lichte slip maakte tegen de stoeprand. Dat kleine beetje voorsprong was genoeg om vol gas te geven richting het centrum van Heerlen.
Nog vijf kilometer. Nog vijf kilometer tot het kantoor van meester Benders, waar de lichten hopelijk zouden branden en de veiligheid van een mens te vinden was. Maar terwijl ik de bebouwde kom van Heerlen binnenreed en de verlaten straten van het kantoordistricten naderde, hoorde ik in de verte opnieuw het zware, dreigende motorgeluid van de achtervolger dat achter me aanzwol.






