DEEL 3 — Het Oog van de Storm
De spiegeling in de liftdeur liet geen ruimte voor twijfel: Tom had mij in de gaten gekregen. Hoe wist hij dat ik er nog was? Had zuster Clara ergens een spoor achtergelaten dat ze konden volgen, of stond hij simpelweg al die tijd uit het raam van de derde verdieping naar mijn auto te staren? Mijn vingers bleven zweven boven de liftknop, terwijl de kille realiteit van de situatie op me neerdaalde.
Als ik nu de confrontatie aanging, zouden die twee beveiligers me onmiddellijk afbreken en het gebouw uitwerken voordat ik ook maar één stap dichter bij de waarheid kon komen. "Hé! Jij daar!" klonk Toms stem ijskoud en dreigend door de gang. Ik slikte de brok in mijn keel weg, haalde diep adem en draaide me langzaam om. Mijn gezicht plooide zich in een masker van koele onverschilligheid, hoewel mijn maag zich samentrok tot een pijnlijke knot.
Tom stond op nog geen vijf meter afstand, met zijn armen nog steeds over elkaar en diezelfde minachtende grijns om zijn mond. De twee beveiligers flankeren hem als waakhonden; hun uniformen strak, hun blikken uitdrukkingsloos maar klaar om in te grijpen bij de minste of geringste beweging van mij. "Ik dacht dat ik duidelijk was geweest, Laura," zei Tom, terwijl hij langzaam dichterbij kwam.
Zijn schoenen maakten een scherp, ritmisch geluid op de stenen vloer. "Jij bent hier niet welkom. Pap wil je niet zien, en het ziekenhuispersoneel heeft je al verzocht te vertrekken. Wat doe je hier in vredesnaam nog rond te hangen? Ben je zo belust op drama?" "Ik ben hier omdat het mijn vader is, Tom," antwoordde ik, waarbij ik mijn stem zo vast mogelijk probeerde te houden.
"En ik neem geen genoegen met een verbod dat gebaseerd is op leugens. Je kunt me wel proberen buiten te sluiten met verzonnen lijsten, maar ik weet dat er iets niet klopt." Toms wenkbrauwen schoten omhoog, maar voor een fractie van een seconde zag ik iets flitsen in zijn ogen: paniek. Het was maar heel kort, snel weggewuifd achter een muur van woede, maar het was er wel geweest.
Hij wist dat ik iets op het spoor was. "Leugens?" snauwde Tom, die nu pal voor me stond. Zijn adem rook naar sterke koffie en sigarettenrook. "Jij bent altijd al de egoïstische rebel geweest die dacht dat de wereld om haar draaide. Pap lag al dagen te rusten na die zware operatie, en jij komt hier alleen maar om de boel op te stoken voor je eigen erfenisrechten.
De notaris is al geweest, Laura. Alles is geregeld. Je krijgt geen rode cent, en je komt er bij hem niet meer in. Beveiligers, begeleid deze mevrouw naar buiten. En als ze nog een keer terugkomt, bellen we de politie wegens stalking." De twee beveiligers deden meteen een stap naar voren. Hun brede postuur blokkeerde elk zicht op de gang en de liften.
Ik voelde een hand op mijn arm drukken – niet eens extreem hard, maar wel dwingend genoeg om duidelijk te maken dat verzet op dit moment zinloos was. "Raak me niet aan," zei ik scherp, terwijl ik mijn arm losrukte en hen een vernietigende blik toewierp. "Dit is nog niet voorbij, Tom. Je houdt iets verschrikkelijks achter, en ik zal erachter komen wat er met pap aan de hand is, zelfs al moet ik elke steen van dit ziekenhuis omdraaien." Met geheven hoofd liet ik me door de beveiligers naar de uitgang begeleiden, terwijl de kille blik van mijn broer in mijn rug brandde.
Buiten regende het inmiddels nog harder; de wind gierde om de hoeken van het grote, anonieme gebouw. Ik stapte weer in mijn auto, maar in plaats van weg te rijden, parkeerde ik de wagen aan de overkant van de straat, half verscholen achter een rij hoge struiken waar de bewakingscamera's van het ziekenhuis geen direct zicht op hadden. Terwijl ik daar in het donker zat te rillen van de kou, realiseerde ik me dat ik een bondgenoot nodig had die niet zomaar kon worden weggestuurd door Tom of dokter Van Houten.
Mijn blik viel op het dashboardkastje. Daarin lag het oude visitekaartje van meester Benders, de vertrouwde huisadvocaat van onze familie, die al decennia lang de belangen van mijn vader behartigde. Als iemand kon nagaan of dat testament en die restrictielijst rechtsgeldig waren, was hij het wel. Met trillende vingers pakte ik mijn telefoon en toetste zijn nummer in.






