DEEL 6 — Het Spoor in de Vuurzone
De voetstappen kwamen enger dichtbij. Ik stond als aan de grond genageld in de smalle nis naast de brandblusserkast, mijn handen krampachtig tot vuisten gebogen in de zakken van mijn regenjas. Als Tom en dokter Van Houten nu om de hoek zouden stappen, was er geen ontkomen meer aan. Ze zouden me hier vinden, midden in het ziekenhuis na sluitingstijd, als een regelrechte indringer.
Al mijn argumenten over de waarheid en de gezondheid van mijn vader zouden in één klap teniet worden gedaan door hun leugens over stalking en huisvredebreuk. De schaduwen van de twee mannen verschenen op de witte tegelvloer van de gang, uitgerekt en akelig dichtbij. Ik sloot mijn ogen, perste mijn tanden op elkaar en bad in stilte dat ze zouden doorlopen richting de lift in plaats van de trappenhal in te duiken.
En toen... klonk er een scherp piepgeluid ergens verderop in de gang. Het was de alarmmelder van een mobiele medicijnkast of een spoedoproep vanaf de tweede verdieping. "Wat is dat?" hoorde ik Tom zeggen, zijn stem scherp en geïrriteerd. "Waarschijnlijk een batterij die leeg is op de spoedafdeling," antwoordde dokter Van Houten hoofdschuddend. "Kom, we gaan.
Ik wil niet dat iemand ons samen ziet praten in de oostvleugel." De voetstappen veranderden van richting. Ze bewogen zich snel weg van mijn schuilplaats, dieper de gang in richting de lift. Ik luisterde tot het geluid van hun schoenen volledig was verstomd en het enige wat ik nog hoorde, het eigen bonken van mijn hart was. Pas toen ik zeker wist dat de kust veilig was, ademde ik langzaam uit.
Mijn knieën voelden zwak aan, alsof ze van water waren gemaakt. Maar er was geen tijd om bij te komen van de schrik. Ze hadden het zojuist met zoveel woorden toegegeven: de volmacht was vervalst, de notaris in Heerlen was omgekocht, en ze waren van plan om zuster Clara morgen weg te promoveren naar een buitenkliniek om haar mond snoeren. Dit was het bewijs.
Niet op papier, maar ik had het eigenhandig uit hun mond gehoord. Als ik nu Clara kon vinden voordat haar nachtdienst begon, of als ik wist waar ze haar verstopten, konden we samen naar de politie stappen. Maar eerst moest ik naar kamer 312. Ik moest met eigen ogen zien hoe erg de toestand van mijn vader werkelijk was, en of er wellicht sporen waren die we konden gebruiken.
Met stille, snelle stappen glipte ik de trappenhal in en liep in het donker naar de derde verdieping. De branddeur naar de privékamers stond op een kier. Ik duwde hem millimeter voor millimeter open. De gang lag er verlaten bij. Het zachte, ritmische getik van de hartmonitor van kamer 312 echode door de stille ruimte. Dat geluid – dat mechanische ritme dat leven en dood van elkaar scheidde – trok me aan als een magneet.
Ik liep op mijn tenen langs de genummerde deuren. 308, 310... en daar was 312. Het kleine raampje in de deur was bedekt met een jaloezie aan de binnenzijde, maar aan de onderkant zat een kier van een paar centimeter. Ik knielde neer op de koude vloer, bracht mijn gezicht dicht bij de opening en tuurde naar binnen. Het licht in de kamer was gedimd, verlicht door de oranje gloed van de straatlantaarns buiten en het blauwige flikkeren van de medische apparatuur.
Op het hoge ziekenhuisbed lag mijn vader. Zijn gezicht was lijkbleek, ingevallen door de ziekte en de operatie, en zijn mond stond iets open. Hij bewoog niet. Om zijn neus en mond zat een zuurstofmasker dat bij elke ademhaling licht besloeg. Naast hem stond een infuusstandaard met langzaam druppelende vloeistoffen. En daar, in de hoek van de kamer, zat iemand in een stoel achter het gordijn, half verscholen in de duisternis.
Het silhouet leek op dat van een verpleegster die de wacht hield, maar toen de persoon even bewoog en het licht van de monitor op haar gezicht viel, zag ik wie het was. Het was niet zuster Clara. Het was iemand anders, een onbekende vrouw in een wit uniform met een kille, harde blik in haar ogen die alert naar de deur keek.






