De Schaduw van Maastricht
News Story

De Schaduw van Maastricht

7 weergaven

DEEL 13 — De Gevangene van het Landhuis

Het eerste dat ik me herinnerde toen ik weer bij bewustzijn kwam, was een drukkende, vreemde stilte. Geen ziekenhuisgeluiden, geen getik van regen tegen de autoruiten, geen kantoorlucht van oud papier. De geur die nu in mijn neus hing, was die van vochtige aarde, dennenappels en oud, muf meubilair. Ik probeerde te bewegen, maar mijn armen en benen voelden aan als lood.

Ik lag op een harde, smalle matras in een kleine, donkere kamer zonder ramen. Het enige licht kwam door een smalle ventilatiespleet hoog in de muur, waarachter een grijze ochtendhemel zichtbaar was. Mijn hoofd bonkte van een zware, mechanische hoofdpijn, en mijn mond was droog als schuurpapier. Waar was ik? De laatste herinnering flitste door mijn brein: de val in de gang van het advocatenkantoor in Heerlen, meester Benders die de deur opende, en het besef van zijn verschrikkelijke verraad.

Ze hadden me gedrogeerd, me in een auto geladen en ergens naartoe gereden waar niemand me kon vinden. Met moeite tilde ik mijn hoofd op. Naast het bed stond een houten krukje met daarop een plastic flesje water en een handgeschreven briefje. Ik sleepte mezelf overeind, mijn spieren protesteerden hevig, en pakte met trillende vingers het briefje van het krukje.

Het handgeschreven schrift was netjes, maar kil: “Beste Laura, probeer het niet te begrijpen en vooral: probeer niet te ontsnappen. Je bevindt je in een oud jachthuis in de bossen bij de Belgische grens, ver van de buitenwereld. Zolang je rustig blijft en je niet bemoeit met zaken die je niet aangaan, zal er niets gebeuren. Je vader wordt goed verzorgd door dokter Van Houten, en tegen het einde van de week is alles getekend en afgesloten. Accepteer je verlies. Het is voor je eigen bestwil. — T.” De letter T.

Tom. Dus Tom zat hier niet alleen achter in Maastricht; hij werkte samen met meester Benders en dokter Van Houten in een grootschalig complot om het hele familievermogen in te pikken en mij permanent monddood te maken. De angst die me eerst verlamde, maakte nu plaats voor een ijskoude, onbedwingbare woede. Ze dachten dat ze me hadden verslagen. Ze dachten dat ze me konden opsluiten in dit vergeten jachthuis in de bossen en dat ik me zomaar bij mijn lot zou neerleggen.

Maar ze kenden me slecht. Ik strompelde naar de deur en drukte op de klink. Verrassend genoeg was de deur niet op slot gedraaid; met een zachte kras ging hij open op een smalle gang in een verlaten, oud landhuis dat duidelijk al jaren niet meer was bewoond. In de verte hoorde ik het geluid van voetstappen op een houten vloer en het gemurmel van stemmen. Iemand was in het huis aanwezig. En ik moest zien te ontkomen voordat ze doorhadden dat de verdoving was uitgewerkt.