DEEL 5 – Het afscheid in de aankomsthal
De drukte in de aankomsthal van Rome Fiumicino was overweldigend. Reizigers met rolkoffers, schreeuwende kinderen en taxichauffeurs met naamkaartjesstormden door elkaar heen in een kakofonie van geluiden. Ik stond bij de bagageband te wachten op onze kinderwagen, met Vittoria stevig op mijn heup. Mijn hoofd tolde nog steeds van alles wat er in het vliegtuig was gebeurd. Het visitekaartje van Luca brandde in de zak van mijn jas alsof het van gloeiend heet staafijzer was gemaakt.
“Zoek je iemand, zusje?”
Een vrolijke stem brak door mijn gedachten. Ik keek op en zag mijn oudere zus Chiara op me afkomen, haar armen wijd gespreid en een brede glimlach op haar gezicht. Ze vloog me om de nek, waarbij ze bijna Vittoria raakte, die giechelend begon te reageren op Chiara’s enthousiasme.
“Oh, Chiara, wat ben ik blij om je te zien,” zuchtte ik diep, terwijl ik me liet omhelzen. De afgelopen weken vielen als een loodzware last van mijn schouders nu ik eindelijk bij familie was.
“Laat me die prinses eens vasthouden,” zei Chiara meteen, terwijl ze Vittoria van me overnam. Ze liep al kletsend door naar de bagageband. “En vertel me alles. Hoe was de vlucht? Geen gekke dingen meegemaakt? Je ziet er namelijk uit alsof je een spook hebt gezien.”
Ik wilde net antwoorden en vertellen over de mysterieuze gezagvoerder, de paparazzo en de intense momenten in de lucht, toen ik in mijn ooghoek een lang gestalte in een donker pilotenjack zag weglopen richting de uitgang voor het personeel.
Het was Luca.
Hij liep met flinke pas, zijn reistas over zijn schouder geslagen. Hij keek niet meer om. Tussen de honderden mensen die door de hal stroomden, leek hij in een fractie van een seconde te verdwijnen in de massa. Een gevoel van leegte schoot door mijn borst. Was dit het dan? Zou ik deze man, die me in zo’n korte tijd door een van de moeilijkste momenten van mijn nieuwe leven had gesleept, nooit meer terugzien?
“Elena? Luister je wel?” vroeg Chiara terwijl ze de kinderwagen van de band trok. “Ik vroeg of je honger hebt. Ik heb lasagne gemaakt.”
“Ja… ja, sorry, ik ben gewoon vermoeid,” antwoordde ik snel, terwijl ik nog één keer naar de uitgang staarde waar Luca zojuist was verdwenen. Ik drukte het visitekaartje in mijn zak nog even stevig aan.
De komende weken stonden in het teken van opbouwen. Chiara hielp me om een klein, betaalbaar appartementje te vinden in een rustige wijk van Rome. Ik schreef me in bij een uitzendbureau om weer aan de slag te gaan als grafisch ontwerper, en Vittoria begon haar eerste stapjes te zetten op het houten vloertje van onze nieuwe woonkamer. Langzaam maar zeker begon het litteken van de scheiding van Stefano te vervellen tot een voldragen les in overleven. Ik dacht steeds minder aan hem. Maar tot mijn eigen verbazing dacht ik des te meer aan Luca Ferri.
Tot op die bewuste dinsdagochtend, zes weken na onze vlucht, toen de postbode een dikke, aangetekende brief bezorgde op ons adres. De afzender deed me direct naar adem snakken: een advocatenkantoor uit Milaan, namens Stefano.






