DEEL 4: De Nachtelijke Wandeling Naar Het Spoor
De klok op het politiebureau tikte onbarmhartig door. 23:10 uur. Tegen de uitdrukkelijke instructies van de rechercheurs in — die een peloton agenten wilden inzetten — had ik besloten om het risico niet te nemen. Ze konden op een afstand postvatten, maar ik moest de eerste stap zetten. Meneer Van Dijk had geprobeerd me tegen te houden bij de uitgang, zijn ogen vol oprechte wanhoop.
"Dit is krankzinnig, je loopt in een hinderlaag," had hij gesmeekt. Maar ik wist dat ik geen keuze had; elke seconde tikte weg tegen het leven van mijn kind. Nu liep ik helemaal alleen door de verlaten straten van de buitenwijk, waar de mist als koude vingers langs de bakstenen muren kroop. Het oude goederenstation lag aan de rand van de stad, een somber terrein vol roestende treinwagons en ontmantelde loodsen waar allang geen treinen meer reden.
De straatlantaarns flikkerden zwakjes en wierpen langwerpige, angstaanjagende schaduwen op het natte asfalt. Mijn laarzen maakten een hol en eenzaam geluid bij elke stap die ik zette. In mijn tas zat een kleine zaklamp en de brief, maar mijn handen waren leeg en klam van de angst. In de verte zag ik de contouren van het verlaten hoofdgebouw opduiken, met zijn gebroken ruiten die als dode ogen in het donker staren. Plotseling hoorde ik een geluid. Een zachte krak van grind, ergens achter een van de roestende goederenwagons links van mij. Ik bleef abrupt stilstaan, mijn adem haperde in mijn keel, en ik draaide me langzaam om in het pikdonkere licht.






