DEEL 3: Het Pakketje Zonder Afzender
Mijn hart sloeg meerdere slagen over en mijn borstkas voelde aan alsof er een zware steen op lag. Een pakketje? Voor mij? Op het politiebureau? De jonge agente schoof een bruine kartonnen doos over de metalen tafel naar me toe. Het was dichtgeplakt met dik, bruin tape en er stond geen afzender op, alleen mijn naam en het adres van het restaurant in keurige, gedrukte letters.
"Open het voorzichtig," zei de rechercheur met een zachte, bijna waarschuwende stem. Mijn vingers waren koud en gevoelloos. Ik pulkte aan het tape tot het scheurde. Binnenin lag een klein, wit rompertje. Het rompertje met die kleine, geborduurde olifantjes erop dat ik die ochtend zelf had aangetrokken bij mijn dochter. Mijn adem stokte in mijn keel en er ontsnapte een gesmoorde gil.
Ik drukte het stof tegen mijn gezicht en rook de vertrouwde geur van haar huid, vermengd met de zoete geur van babyzeep. Maar er zat meer in de doos. Onder het rompertje lag een kleine, verzilverde rammelaar die ik van mijn overleden moeder had gekregen — het enige erfstuk dat ik bezat en dat ik altijd in haar luiertas bewaarde. En daaronder lag een handgeschreven briefje.
Ik vouwde het trillend open. De letters waren haastig gekrabbeld, maar de boodschap was glashelder en ijselijk koud: “Als je wilt dat ze nog een keer lacht, moet je vannacht om twaalf uur alleen naar het oude goederenstation komen. Geen politie. Geen Van Dijk. Als je iemand anders meebrengt, zie je haar nooit meer terug.” Ik staarde naar de woorden tot de inkt leek te dansen voor mijn ogen.
De rechercheur las de brief over mijn schouder mee. Zijn ogen vernauwden zich tot spleetjes en hij greep meteen naar zijn radio. "We gaan een val opzetten," zeiden zijn lippen, maar mijn eigen gedachten waren al mijlenver weg. Als ik de politie inschakelde, bracht ik haar in levensgevaar. Maar als ik alleen ging... wie wachtte er dan in de duisternis op mij?






