DEEL 10: Het Verlaten Steiger
De kreet "Wie is daar?!" weerde door de holle ruimte van het pakhuis als een geweerschot. Lisa en ik dachten geen moment na; we renden de trap af en vlogen door de achterste nooddeur die direct uitkwam op de donkere houten steiger aan het water. De frisse, zilte zeewind sloeg ons in het gezicht. In de verte lag een strakke, zwarte motorjacht te dobberen, de motor draaide al stationair en produceerde een zacht, diep gebrom.
Op de steiger liep een man in een regenjas met het roze bundeltje in zijn armen, op weg naar de loopplank van het schip. "Halt! Blijf staan!" schreeuwde ik, mijn stem barstensvol wanhoop en adrenaline. De man draaide zich om, schrok zichtbaar toen hij ons zag rennen, en versnelde zijn pas naar de boot. Achter ons hoorden we de zware laarzen van mevrouw Kramer en haar handlangers die het pakhuis uitstormden.
"Schiet op! Laat ze niet bij de boot komen!" schreeuwde Kramer vanuit de verte. Ik rende zo hard als mijn benen me konden dragen, mijn armen uitgestrekt naar de man op de steiger. Nog maar een paar meter. De man stapte aan boord van het jacht en gooide de loopplank omhoog. Ik sprong met al mijn kracht naar voren, net op het moment dat het schip loskwam van de kade. Mijn vingers grepen naar de reling van het dek, maar gleden weg over het natte metaal. Met een plons viel ik op het koude hout van de steiger, terwijl het jacht langzaam het open water van de haven opvoer.






