Deel 5: Vlucht door de Amsterdamse grachten
De koude regen slaat in mijn gezicht als ik blindelings door de donkere steegjes van de Amsterdamse Jordaan ren. Achter me hoor ik Marcus vloeken en harde voetstappen op de kasseien weerklinken. Hij zit me op de hielen. Mijn longen branden van de inspanning en de kou, maar ik durf niet achterom te kijken. Het blauwe dossier in mijn rugzak voelt aan als een zware baksteen, maar het is mijn enige schild tegen de leugens van mijn familie.
Ik duik een smalle steeg in die leidt naar de grachtengordel. De mist hangt dik over het water, waardoor de historische gevels mysterieus en dreigend afsteken tegen de hemel. Ik hoor een bootje langzaam voorbijvaren, maar het is te ver weg om om hulp te roepen. Marcus is vlakbij; ik hoor zijn ademhaling weerklinken tussen de hoge muren van de oude pakhuizen.
Als ik struikel over een losse stoeptegel en op de natte stenen val, scherpe pijn in mijn knie voel, realiseer ik me dat ik in de val zit. Er is hier geen uitweg meer. Dit is een blinde steeg aan de waterkant. Doffe stappen naderen de hoek. Een hand grijpt me bij mijn kraag en sleurt me ruw overeind. Het is Marcus, met een venijnige grijns op zijn gezicht.
“Dacht je echt dat je kon ontsnappen aan de familie Vance, Lucas? Je bent net zo zwak als toen je zeventien was.” Hij heft zijn arm om me een rake klap te verkopen, maar plotseling weerklinkt er een schelle sirene in de verte. Blauwe zwaailichten verlichten de gevels. De politie nadert met hoge snelheid. Marcus verstijft, laat me los en fluistert: “Dit is nog niet voorbij, jongen,” voordat hij zich omdraait en in de mist verdwijnt.






