Deel 11: De val in de directiekamer
De zware eikenhouten deuren van de directiekamer worden met een harde klap opengeduwd. Twee grote mannen in strakke zwarte pakken stappen naar binnen. Hun blikken zijn kil en doelgericht; dit zijn geen gewone kantoormedewerkers, maar professionele handlangers die Arthur heeft ingehuurd om de zaak in de kiem te smoren. Arthur de Witt lacht grimmig en trekt zijn colbert recht.
“Je bent slim, Lucas, veel slimmer dan je vader ooit is geweest. Maar je bent te naïef om te denken dat je hier zomaar levend uit wandelt met die bewijzen.” Mijn hand omklemd de USB-stick in mijn zak strak. Ik stap achteruit tot mijn rug bijna de glazen wand raakt. Beneden, vijftien meter lager, kabbelt het water van de Herengracht. Er is geen andere uitgang.
De handlangers komen langzaam dichterbij, hun knokkels gekraakt, klaar om me uit te schakelen en de USB-stick af te pakken. “Geef het geheugenkaartje hier, Lucas, en we zorgen ervoor dat je pijnloos verdwijnt, net zoals je oma,” zegt Arthur met een ijselijke kalmte. Terwijl de eerste handlanger naar voren springt om me bij mijn arm te grijpen, duik ik bliksemvluchtig opzij.
De man mist op een haar na en beukt vol in op de glazen wand. Met een luide knal kraakt het glas. Ik grijp de zware vaas met orchideeën van de bijzettafel en gooi deze met al mijn kracht naar de tweede handlanger, die daardoor struikelt en over de grond glijdt. Maar Arthur blijft koud glimlachen. Hij drukt op een knop op zijn bureau en zegt door de intercom: “Beveiliging, sluit alle liften en uitgangen af. Niemand verlaat dit gebouw levend.”






