Iris aarzelde geen seconde. Ze legde baby Thijs voorzichtig op een stapel houten kisten in de hoek van de grot en snelde naar Thomas toe. Haar vingers zochten haastig naar de sleutel van de kettingen, die op een klein tafeltje naast de werklampen lag.
"Clara, doe geen domme dingen," sprak Julian met een geforceerd rustige stem, terwijl hij langzaam zijn handen ophief. Helena stond naast hem, haar ademhaling zwaar en haar ogen vol haat. "Je bent geen moordenaar. Je bent altijd het 'goede' zusje geweest. Je kunt niet schieten."
"Probeer me niet uit, Julian," zei ik, en mijn stem klonk verrassend vast beraad. De jaren van verdriet, het bedrog, de dood van onze moeder en de angst om mijn dochter balden zich samen tot een staalharde wilskracht. "Twintig jaar lang heb je mij laten geloven dat ik alleen overwas. Twintig jaar lang heb je een spoor van vernieling achter je gelaten. Het stopt vandaag."
Het geluid van de rammelende kettingen vulde de ruimte toen Iris het slot van Thomas' boeien wist te openen. Thomas viel bijna van de stoel van de uitputting, maar Iris ving hem op.
"Kun je lopen?" fluisterde ze.
"Het... het gaat," antwoordde Thomas hees. Hij keek naar zijn vader en moeder met een mengeling van medelijden en afkeer. "We moeten hier weg. Dit gedeelte van de grotten is instabiel. De trillingen van het schot..."
Als om zijn woorden te bevestigen, klonk er een diep, rommelend geluid boven onze hoofden. Kleine stenen en fijn mergelstof begonnen uit de scheuren in het gewelf te vallen. De ontploffing van het pistoolschot tegen het kwetsbare mergelplafond had een kettingreactie in gang gezet.
"Het stort in!" schreeuwde Helena.
In de paniek die ontstond, maakte Julian een uitval naar mij. Hij probeerde het pistool uit mijn handen te grissen. Ik haalde de trekker over, maar de veiligheidspal zat er blijkbaar nog op of het mechanisme weigerde. Julian beukte tegen mij aan, waardoor het wapen uit mijn handen vloog en in de duisternis verdween.
"Rennen!" schreeuwde ik naar Iris en Thomas.
Iris griste baby Thijs van de kisten. Thomas greep mijn arm en trok me mee richting de uitgangsgang. Achter ons vochten Julian en Helena niet meer tegen ons, maar tegen elkaar om als eerste de smalle doorgang te bereiken.
We renden door de duistere gangen van het labyrint. Het rommelen achter ons werd luider—het geluid van tonnen mergelsteen die naar beneden stortten en de kelders voorgoed afsloten. Een enorme stofwolk joeg door de gangen en omhulde ons in een verstikkende, witte mist.
We hoestten en tastten in het duister. Mijn zaklantaarn was tijdens de val verloren gegaan. We waren volkomen blind in het binnenste van de berg.
"Thomas... weet jij de weg?" fluisterde Iris angstig, terwijl ze de baby stevig tegen zich aandrukte.
"Ik... ik denk het wel," antwoordde Thomas swak. "Mijn vader bracht me hier altijd met een blinddoek om. Maar ik herinner me dat we altijd de luchtstroom moesten volgen. Voelen jullie de wind?"
We stonden doodstil in de ijskoude duisternis. Het enige geluid was onze eigen zware ademhaling en het verre, doffe nagerommel van de instorting. En toen voelde ik het: een heel lichte, koude bries die langs mijn linkerwang streek.
"Daar langs," wees ik in het donker.
We schuifelden langzaam voorwaarts, onze handen stevig langs de ruwe mergelwanden geleidend. Minuten leken uren te duren. De angst dat Julian of Helena uit de stofwolken achter ons zou opduiken, hing als een zwaard van Damocles boven onze hoofden.
Na wat een eeuwigheid leek, zagen we in de verte een piepklein, blauw lichtpuntje. De uitgang.
We versnelden onze pas zover we konden. We wurmden ons door een smalle spleet in de rotsen en stapten buiten op een steile helling aan de zuidkant van de Sint-Pietersberg, uitkijkkend over de kronkelende Maas. De frisse ochtendlucht vulde onze longen.
We waren vrij. Maar toen we achterom keken naar de rotswand, zagen we dat de ingang waar we zojuist uit waren gekomen volledig was ingestort door een enorme landverschuiving.
Geen spoor meer van Julian. Geen spoor van Helena.
"Denk je... denk je dat ze het overleefd hebben?" stamelde Iris, terwijl de tranen eindelijk over haar wangen stromen.
Thomas keek naar de ingestorte rotsen en schudde langzaam zijn hoofd. "Niemand overleeft een instorting van die omvang. Het is voorbij, Iris. Het is eindelijk voorbij."
Maar net toen we elkaar in een emotionele omhelzing wilden trekken, klonk er het geluid van een naderende helikopter. Een zwarte, merkloze helikopter steeg op vanaf een plateau iets verderop aan de grens en vloog met hoge snelheid richting het zuiden.
En via het transparante raam van de helikopter zag ik een silhouet staan. Een man die naar beneden keek... met kille, blauwe ogen.
---






