Mijn knieën bogen door en ik zou op het vochtige gras zijn gevallen als Iris mij niet bij mijn arm had gegrepen. De wereld om mij heen leek stil te vallen. Het geruis van de wind door de bomen, het stadsrumoer in de verte, het kloppen van mijn eigen slagader—alles vervaagde tot een holle stilte.
Ik starde naar de man die voor mij stond. Zijn gelaatstrekken waren onmiskenbaar. De hoge jukbeenderen, de strakke kaaklijn, en die vlijmscherpe, blauwe ogen. Het was Julian. Mijn jongere broer die ik twintig jaar geleden in een gesloten kist had laten begraven na dat afschuwelijke ongeluk in de Ardennen.
"Julian...?" bracht ik uit. Mijn stem was niet meer dan een schor gefluister. "Dat... dat kan niet. Je bent dood. Ik heb je begraven."
De man glimlachte, maar er lag geen enkele warmte in die beweging. Het was een kille, berekenende grimas.
"Je hebt een kist begraven die verzwaard was met zandzakken, Clara," zei hij rustig, terwijl hij een stap dichterbij zette. Zijn zwarte lederen handschoenen kraakten zachtjes. "Het was noodzakelijk. Het familiebedrijf, de schulden van vader, de mensen waaraan we geld verschuldigd waren... er was maar één uitweg. Mijn dood was de sleutel tot een nieuw begin. Een schone lei."
"Een schone lei?" schreeuwde ik plotseling, waarbij de schok plaatsmaakte voor een opwellende woede die mijn hele lichaam liet trillen. "Onze moeder is gestorven van verdriet! Je hebt ons gezin vernietigd! En je liet mij alleen met alle ellende!"
"En toch sta je hier," onderbrak Julian mij koeltjes. Hij keek langs mij heen naar Iris, die Thijs zo stevig vasthield dat de baby zachtjes begon te jengelen. "En je hebt mijn kleinzoon bij je. Of moet ik zeggen... mijn erfgenaam?"
Mijn hoofd tolde. Ik keek van Julian naar Iris. De puzzelstukjes die zojuist nog willekeurig in mijn hoofd rondzweefden, vielen met een genadeloze klap op hun plek. De donkere krullen. De hartvormige moedervlek. Het genetische merkteken dat uitsluitend aan de mannen in onze familie werd doorgegeven.
"Nee..." fluisterde ik, terwijl het ijskoude zweet over mijn rug liep. "Iris... wie is de vader van dit kind?"
Iris keek mij aan met een blik vol pure wanhoop. "Hij is het niet, mam. Julian is niet de vader. Maar hij is wel degene die mijn leven en dat van Thijs' vader kapot heeft gemaakt. Thijs is de zoon van Thomas... Julian's eigen zoon die hij in het geheim heeft opgevoed in zijn schaduwwereld!"
Julian's gezicht betrokken. De kille glimlach verdween op slag en maakte plaats voor een duistere, gevaarlijke blik. "Sluit je mond, Iris. Je weet niets van de afspraken die gemaakt zijn. Thomas heeft de familie verraden door met jou mee te gaan. En nu is hij waar hij hoort te zijn."
"Waar is Thomas?" eiste Iris op hoge toon, hoewel haar stem trilde van angst. "Wat heb je met hem gedaan, Julian?"
"Thomas heeft zijn keuzes gemaakt," antwoordde Julian ontwijkend. Hij deed weer een stap naar voren. De twee gewapende mannen achter hem bewogen synchroon mee, hun handen rustend op de hendels van de wapens onder hun jas. "Geef het kind aan mij, Iris. Het bloed van de familie Limburg behoort toe aan het netwerk. Hij zal worden opgevoed zoals het hoort. Zonder jouw zwakte."
"Nooit!" schreeuwde Iris.
Op dat exacte moment klonk er een luid gebrul van een scheepshoorn vanaf de Maas, op slechts honderd meter afstand van het park. Gelijktijdig vloog er een fel schijnwerperlicht over het grasveld. Een slanke, snelle motorboot legde met een luid knallende motor aan bij de lage kademuur van de rivier.
"Clara! Iris! Rennen!" klonk een rauwe, krachtige mannenstem vanuit de boot.
"Dat is Victor!" riep Iris.
Zonder na te denken greep ik Iris bij haar schouder en trok haar mee richting de rivier. Julian vloekte luidkeels en gaf een snelle schreeuw aan zijn mannen. Twee schoten knalden door de nacht. De kogels ketsten fluitend af op de stenen van de stadsmuur net boven onze hoofden.
We renden voor ons leven over het natte gras. Mijn knie protesteerde met een helse pijn, maar de adrenaline overspoelde alles. We bereikten de kade. Een oudere man met een grijze baard en een schipperspet stak zijn hand uit vanaf het dek van de boot.
"Springen!" schreeuwde hij.
Iris sprong als eerste, met de baby veilig in haar armen. Victor ving haar op. Daarna keerde hij zich om naar mij. Ik keek achterom en zag Julian op slechts tien meter afstand, zijn pistool recht op mijn borst gericht.
"Stap niet op die boot, Clara," zei hij ijskoud. "Als je nu weggaat, zie je de waarheid over onze familie nooit meer."
Ik keek hem recht in de ogen, zag het monster dat mijn broer was geworden, en spuogde op de grond. Met een laatste krachtsinspanning sprong ik over de doorgang naar het dek.
Victor gaf direct vol gas. De boot schoot weg over het zwarte water van de Maas, net toen er een salvo aan kogels door de nachtelijke lucht ratelde en het water rondom de spiegel van het schip deed opspatten...
---






