Mijn hart leek stil te staan. De kamer vloog om me heen. Een dubbelganger? Hoe kon dat mogelijk zijn? Ik had de man recht in de ogen gekeken op het platform van het vliegtuig. De stem, de houding, de kille blauwe blik—alles was identiek aan de broer die ik twintig jaar geleden had gekend.
"Dat... dat kan niet," stamelde Iris, terwijl ze overeind vloog en Thijs dicht tegen zich aan trok. "We waren erbij! Hij sprak over de familie! Hij wende zich tot jou, mam!"
"Een narcist als Julian plant altijd drie stappen vooruit," zei Thomas bitter, terwijl hij zijn hoofd in zijn handen liet rusten. "Hij wist dat Bierset omsingeld kon worden. Hij heeft een van zijn vertrouwelingen—iemand die via plastische chirurgie op hem leek gemaakt—vooruit gestuurd als lokaas. Om de aandacht van de politie af te leiden terwijl hij zelf..."
"...terwijl hij zelf via een andere route ontkwam," maakte ik de zin af.
De opluchting van een paar uur geleden veranderde op slag in een ijzige, verstikkende realiteit. Julian leefde nog steeds. Hij was daarbuiten, ergens in de wereld, vrij en ongestraft.
"Wouters zei dat ze een landelijk en internationaal opsporingsbevel hebben uitgevaardigd," ging Thomas verder. "Maar laten we eerlijk zijn: als Julian twintig jaar lang als een geest kon leven, vindt niemand hem ooit als hij niet gevonden wil worden."
Ik stond op en liep naar het raam. De tuinen van het hotel leken ineens niet meer veilig. Elk schaduw, elke voorbijrijdende auto kon hem zijn.
Maar toen ik naar mijn eigen spiegelbeeld in het raamstroom keek, zag ik niet langer de bangige, verwarde vrouw van 61 die drie nachten geleden haar huis in Utrecht had verlaten. Ik zag een vrouw die de vlammen van het rode huis had overleefd, die door de duistere grotten van de Sint-Pietersberg had gewandeld, en die recht tegenover een moordenaar had gestaan zonder te knipperen.
"Nee," zei ik hardop.
Iris en Thomas keken me verbaasd aan.
"Hij heeft verloren," zei ik, terwijl ik me omdraaide naar hen. "Snappen jullie het dan niet? Julian mag dan wel gevlucht zijn, maar wat heeft hij nog? Zijn geld is bevroren. Zijn netwerk is opgerold door de informatie van Thomas. Helena is dood. Zijn dubbelganger is ontmaskerd. Hij kan nooit meer terugkeren naar Limburg. Hij is gedwongen om voor de rest van zijn leven als een opgekropt dier in de schaduwen te schuilen, bang voor elke schaduw, elke politieagent, elke stap achter hem."
"Maar hij heeft Thijs niet," zei Iris zachtjes.
"Precies," knikte ik. "Het enige wat Julian werkelijk wilde—de continuïteit van zijn macht via zijn kleinzoon—is hem definitief ontzegd. Hij heeft verloren, zelfs als hij ademt."
Op dat moment klonk er een zachte klop op de deur van de hotelkamer. Thomas greep instinctief een zwaar glazen waterkarf van de tafel, terwijl ik naar de deur liep en door het spionnetje keek.
Buiten stond een jonge koerier met een petje en een kleine, verzegelde enveloppe in zijn hand.
Ik opende de deur op een kier. "Ja?"
"Een brief voor mevrouw Clara Limburg," zei de jongeman vriendelijk. "Zojuist afgegeven bij de receptie door een oudere heer."
Ik nam de enveloppe aan. Mijn handen trilden niet meer. Ik sloot de deur, scheurde de enveloppe open en haalde er een dun vel bankpostpapier uit.
Er stond slechts één handgeschreven regel op, in het strakke, nostalgische handschrift dat ik uit duizenden zou herkennen:
Je hebt gewonnen, zusje. Maar vergeet nooit dat de Maastrichtse mergel diep is.
Onderaan de pagina lag een klein, gedroogd blad van een klimop plant—het symbool van de geheime doorgang bij de ruïne van Slavante.
Ik starde naar het papier. Een seconde lang voelde ik een koude vlaag van angst. Maar daarna pakte ik de aansteker die op het bureau lag, stak de hoek van de brief in brand en liet het papier langzaam verbranden in de asbak op tafel.
Het verleden verbrandde tot grijze as.
---






