Het hout van de voordeur kraakte hevig onder de slagen die van buitenaf werden uitgedeeld. Mijn hart zat in mijn keel en mijn ademhaling was sneller dan ooit tevoren. Iris keek niet eens meer achterom; met een behendigheid die verkregen was door jarenlange angst klemde ze baby Thijs tegen haar borst en trok ze mij mee door de smalle, verwaarloosde keuken. Aan de achterzijde van het pand bevond zich een kleine binnenplaats, ingesloten door hoge bakstenen muren waarop klimop tierde.
"Hier langs, mam! Snel!" ziste Iris, terwijl het geluid van versplinterend hout uit de gang klonk. De indringers waren binnen.
Iris duwde tegen een houten luik dat half verscholen lag achter een stapel verrotte houten kratten. Het luik gaf toegang tot een diepe, donkere keldertrap die stijl naar beneden liep. De reuk van vochtige aarde, schimmel en oud steen kwam ons tegemoet. Ik aarzelde geen moment, ondanks de felle steek van pijn in mijn linkerknie toen ik de eerste trede afstapte. Iris volgde mij direct, trok het zware luik boven onze hoofden dicht en schoof met een dof geluid een metalen grendel op zijn plek.
Boven ons klonken zware voetstappen op de houten vloerdelen van de woonkamer. Mannenstemmen grauwden bevelen in een taal die ik niet direct kon thuisbrengen—een vreemde mengeling van Oost-Europese klanken en hard, zakelijk Duits.
"Stil blijven staan," fluisterde Iris in de absolute duisternis. Ze zette met één hand de zaklamp van haar telefoon op de laagste stand. De zwakke lichtstraal onthulde een tunnel met een gewelfd plafond van mergelsteen. "We zijn onder het oude stadscentrum van Maastricht. Deze gangen sluiten aan op het ondergrondse netwerk van de casematten."
"Iris, in hemelsnaam," fluisterde ik terug, terwijl de tranen van verwarring en angst over mijn wangen brandden. "Wat is hier aan de hand? Wie zijn die mannen? En wat bedoelde je met wat je net wilde zeggen over Thijs en zijn vader?"
Iris keek me aan, haar ogen groot en glanzend in het schaarse licht. Ze wiegde het baby'tje, dat wonderbaarlijk genoeg stil bleef, alsof het kindje de dodelijke ernst van de situatie aanvoelde.
"Niet nu, mam. Als we nu praten, horen ze ons door de ventilatieroosters. We moeten eerst naar een veilige plek komen. Naar Victor."
"Victor?" herhaalde ik. De naam klonk v Connelly en toch vreemd. "Wie is Victor?"
Maar Iris gaf geen antwoord. Ze stapte vastberaden door de smalle gang, waar de muur koud en klam aanvoelde onder mijn hand palms. Het gangenstelsel was een doolhof van vertakkingen. Zonder gids zou een mens hier binnen een halfuur spoorloos verdwalen en sterven in het duister. Iris bewoog zich echter voort met een vreemde, bijna automatische zekerheid. Ze kende deze route. Dat betekende dat ze dit al vaker had gedaan, dat haar vlucht niet pas vanavond was begonnen, maar al jaren duurde.
Boven ons klonk plotseling een doffe knal, gevolgd door het trillen van de grond onder onze voeten. De mannen hadden het keldERluik ontdekt en verwoest met zwaar gereedschap of explosieven.
"Ze komen naar beneden," zei Iris, haar stem strak van de adrenaline. "Lopen, mam. Blijf dicht bij mij."
We versnelden onze pas zover mijn oude lichaam dat toeliet. De stenen ondergrond was glad van het vocht en het water sijpelde op sommige plekken in gestage stroompjes langs de wanden. Mijn longen brandden van de koud, klamme lucht. Na wat een eeuwigheid leek, kwamen we bij een verroeste ijzeren trap die verticaal omhoog liep naar een rioolschacht.
Iris klom als eerste omhoog, met Thijs in een doek stevig op haar rug gebonden. Ik volgde zo snel als ik kon, elke spier in mijn benen schreeuwde om rust. Iris duwde met haar schouder tegen het zware metalen deksel aan de bovenzijde van de schacht. Het deksel verschoof met een schurend geluid, en frisse, koude nachtlucht stroomde de schacht binnen.
We klommen eruit en bevonden ons in een donker park, omringd door oude bomen en het silhouette van de middeleeuwse stadsmuur. De stad lag er verlaten bij onder de deken van de nacht. Maar onze opluchting was van korte duur.
Aan het einde van het pad, op hooguit vijftig meter afstand, lichtten twee koplampen op. Motorgeronk vulde de stille lucht van het park. Een zwarte SUV reed langzaam het grasveld op, zijn koplampen strak op ons gericht.
"Nee... hoe kunnen ze hier al zijn?" stamStandard Iris achteruitwijkend.
De portieren van de auto vlogen open. Twee lange, in donkere mantels geklede figuren stapten uit. Maar het was de derde man, die langzaam uit de passagiersstoel steeg, die mijn adem volledig deed stokken. Het licht van de lantaarnpaal viel precies op zijn gezicht.
Het was een gezicht dat ik al twintig jaar niet meer in levenden lijve had gezien. Het gezicht van mijn broer Julian... alleen ouder, getekend door littekens, en met kille, emotieloze ogen.
"Hallo, zusje," sprak de man met een stem die ijskoud door de nacht snijdt.
---






