Deel 4: De Vlucht over het Water
De motregen sloeg ons in het gezicht toen Daan en ik door de opengebroken nooduitgang het terrein achter het pakhuis oprenden. Achter ons hoorden we het geluid van stampende laarzen op het beton en geroep in de verte. ‘Daar zijn ze! Zoek ze!’ klonk de scherpe stem van een bewaker, herkenbaar aan de militaire discipline waarmee de commando’s werden gegeven.
‘Naar de steiger!’ schreeuwde Daan boven het geluid van de wind uit. Hij wees naar een verrotte houten steiger waar een kleine aluminium motorboot aan lag vastgebonden met een dik touw. ‘Ben je gek geworden?’ riep ik terwijl ik struikelde over een stuk losliggend metaal. ‘We kunnen toch niet zomaar wegvaren?’ ‘Als we hier blijven, word je vandaag nog afgevoerd in een plastic zak, net als Sarah!’ antwoordde Daan zonder te aarzelen.
Hij sprong in de boot, pakte een groot zakmes uit zijn zak en begon verwoed het touw door te snijden. Het mes gleed uit op het natte koord, en voor een seconde dacht ik dat we verloren waren. Maar met een laatste krachtsinspanning sprong de lijn los en dreef de boot het donkere, kolkende water van het IJ op. Ik sprong achteraan en landde onhandig op mijn knieën op de aluminium bodem.
Daan greep direct naar de buitenboordmotor, trok tweemaal aan het startkoord tot de motor met een luide, rochelende brul tot leven kwam. Boven ons, op de rand van de steiger, verschenen twee gestalten met zaklampen. De felle lichtbundels sneden door de regen en verblindden ons. ‘Stoppen! Onmiddellijk stoppen of we schieten!’ klonk de dreigende stem van Marcus.
Zijn silhouet tekende zich scherp af tegen de lichten van het pakhuis. Daan gaf vol gas. De boot schoot naar voren met een schok die ons bijna overboord wierp. Achter ons klonken twee doffe knallen – pistoolschoten die in de mist verdwenen, gevolgd door het geluid van metaal dat ergens op de romp van de boot ketste. Ik dook ineenzakken op de bodem, mijn handen strak over mijn oren gedrukt terwijl het water wild tegen de zijkanten sloeg.
Binnen enkele minuten waren we verdwenen in de dichte mist die over de rivier hing. De lichten van het pakhuis en de havenkranen vervaagden tot vage gele vlekken in de nevel. Pas toen we halverwege het water waren, in de richting van de Amsterdamse Houthavens, durfde Daan het gas iets terug te nemen. De motor pruttelde rustig voort terwijl we dobberden op de deinende golven.
‘Dat ging te gemakkelijk,’ hijste Daan, terwijl hij met een trillende hand zijn natte haren uit zijn gezicht veegde. ‘Marcus laat dit niet rusten. NovaCorp bezit de helft van de vastgoedsector in deze stad. Ze hebben contacten bij de politie, bij de gemeente, overal.’ Ik zat ineengedoken op de bank van de boot, mijn tanden klepperend van de kou. Mijn jas was doorweekt, maar de adrenaline hield me op de been.
Ik haalde het gele post-it briefje en de tweede toegangspas uit mijn zak. In het zwakke licht van de dashboardlamp van de boot bestudeerde ik de pas opnieuw. ‘Daan, kijk eens naar deze serienummers,’ zei ik, terwijl ik de pas naar hem toe hield. ‘Dit is niet zomaar een toegangspas. Dit is een master-pas. Sarah had er twee. Waarom zou iemand twee van dit soort pasjes hebben als je er maar één nodig hebt voor het gebouw?’ Daan boog zich voorover en tuurde naar de kleine cijfers onder de streepjescode.
Zijn ogen werden groot in het schaarse licht. ‘Verdomd. Dit zijn geen normale werknemerspassen. Dit zijn coderingssleutels voor de fysieke kluis op de veertiende verdieping. Achter het kantoor van Els bevindt zich een geheime ruimte waar de fysieke contracten en de harde schijven van de offshorerekeningen worden bewaard.’ ‘Dan moeten we terug,’ zei ik vastbesloten.
Daan keek me aan alsof ik gek was geworden. ‘Terug? Naar het hoofdkantoor? Ze wachten op je met open armen, maar dan in een cel!’ ‘Niet als we binnenkomen via het oude ventilatiesysteem,’ antwoordde ik, terwijl mijn blik viel op de plattegrond van het gebouw die ik nog kende van de veiligheidscursus van vorig jaar. ‘Els en Marcus verwachten dat we op de vlucht zijn. Ze verwachten niet dat we het gevecht naar hun eigen hoofdkwartier brengen.’






