Deel 2: De Schaduw in de Regentstraat
De nacht na dat voicemailbericht deed ik geen oog dicht. De krakende statische ruis en die ene stem bleven door mijn hoofd galmen. Het was de stem van Marcus, de operationeel directeur van NovaCorp, een man wiens gladde haren en dure maatpakken altijd een aura van onaantastbaarheid uitstralden. Als Marcus hierachter zat, dan spraken we niet zomaar over een interne fraudezaak; dan ging het om een georganiseerd netwerk dat reikte tot in de hoogste regionen van het internationale conglomeraat.
De volgende ochtend om zes uur stond ik op, gewapend met een sterke kop zwarte koffie en het gele post-it briefje dat Sarah in mijn bureau had achtergelaten. Mijn appartement in De Pijp bood uitzicht op een stille, natte straat. De herfstbladeren kleefden als natte lappen aan de geparkeerde auto's. Ik wist dat ik geen tijd te verliezen had. Als de directie ontdekte dat ik dat voicemailbericht had, zou ik niet alleen mijn baan voorgoed kwijtraken, maar misschien ook mijn vrijheid.
Of erger. Ik besloot om niet naar mijn eigen werkcomputer te grijpen – die werd ongetwijfeld gemonitord door de IT-beveiliging van NovaCorp. In plaats daarvan pakte ik een oude laptop die al maanden ongebruikt in de kast lag, eentje die ik nog uit my studietijd over had en nooit had verbonden met het bedrijfsnetwerk. Ik reed naar een anonieme parkeerplaats achter een industrieterrein in Amsterdam-Noord, waar de industriële loodsen en de grauwe lucht een passend decor vormden voor mijn paranoia.
Met een prepaid simkaart die ik de avond tevoren bij een tankstation had gekocht, probeerde ik het nummer van Sarah te bellen. Het bleef stil aan de andere kant; geen gehoor, direct door naar de voicemail. De batterij leek leeg of het toestel was uitgeschakeld. Maar het coördinaat dat ze in dat allereerste bericht had gestuurd – nog voordat de chaos echt begon – brandde in mijn geheugen gegrift.
Het betrof een oude pakhuisruimte aan de rand van de havens bij Zaandam. Tijdens de autorit naar het noorden gierden de zenuwen door mijn keel. De ruitenwissers sloegen in een eentonig ritme op en neer terwijl de mist boven het water van het IJ dikker werd. Waarom had Sarah mij dit aangedaan? Nee, beter gezegd: hoe kon ze denken dat ik haar kon redden als ik zelf al aan de kant was geschoven als een vuil vuilniszak?
Het antwoord lag waarschijnlijk in het dossier dat Els mij had laten zien. Die miljoenen euro's die zogenaamd via mijn account waren weggesluisd, waren niet zomaar verdwenen. Ze vormden een spoor dat leidde naar een schimmige brievenbusfirma in Panama, en Marcus was de enige handtekeningbevoegde die die transacties kon goedkeuren zonder dat de externe accountant direct alarm sloeg.
Toen ik aankwam bij het pakhuis in Zaandam, zag ik dat het gebouw er verlaten bij lag. De ramen waren gebroken, de houten deuren hingen scheef in hun scharnieren. Een koude wind trok door de kieren van de muren. Ik parkeerde mijn auto uit het zicht achter een rij roestige zeecontainers en liep op sloffen van angst door de modder naar de ingang. Het binnengaan van het pakhuis voelde als het betreden van een crime scene.
Stof dwarrelde op in de zwakke stralen van de ochtendzon die door het dak naar binnen braken. In de hoek van de grote hal stond een verlaten bureau, met daarop een open laptoptas en een kopje koffie waarvan de inhoud al lang was veranderd in een groene schimmellaag. Dit was de plek waar Sarah zich had verstopt. En vlak naast het bureau lag iets zwarts op de betonnen vloer.
Het was een tweede toegangspas. Precies dezelfde als degene op mijn bureau, maar met een andere serienummercode gegraveerd aan de achterkant. Toen ik bukte om hem op te pakken, hoorde ik achter me een plotseling geluid. Het kraken van een schoenzool op grind. Mijn hart sloeg een slag over. Ik draaide me om, maar voordat ik kon reageren, werd ik in de schaduw van een stalen pilaar getrokken door een sterke hand die mijn mond omsnoerde.






