Deel 10: De Sprong in het Duister
De stalen treden van de ladder bogen door onder het gewicht van de man die naar boven stormde. Zijn zware ademhaling klonk al vlak bij de rand van het platform. Ik stond ingeklemd in het stoffige kantoor, met mijn rug tegen een houten archiefkast die decennia oud leek.
"Ik heb je, katje," klonk de hese, triomfgerichte stem van de handlanger toen hij over de rand van het platform stapte en zijn zaklamp op me richtte. De felle lichtbundel verblindde me tijdelijk, waardoor ik mijn ogen moest dichtknijpen. Hij trok opnieuw dat dreigende wapen uit zijn jas en richtte het recht op mijn borst. "Geef het dagboek hier. Nu meteen, anders schiet ik door je knieën heen."
Bram verscheen even later achter hem, zijn gezicht vertrokken van schaamte en pure paniek. "Nora, doe niet zo eigenwijs!" riep Bram paniekerig. "Geef ze wat ze willen! Anders vermoorden ze ons allebei!"
Ik keek Bram diep in de ogen. Op dat moment voelde ik geen medelijden meer met hem, alleen maar een diepe minachting voor zijn zwakte. "Je hebt je ziel verkocht voor een handvol zilver, Bram," zei ik met een vaste stem, hoewel mijn hart in mijn keel bonstte. "En je krijgt er nog geen cent van."
De handlanger deed een dreigende stap naar voren, zijn vinger al op de trekker. "Laat dat gepraat. Het dagboek. Geef het hier!"
Ik greep met mijn hand in mijn binnenzak, maar in plaats van het dagboek te pakken, greep ik naar een zware, koperen brandblusser die los op de vloer van het kantoor stond. Met een kracht waarvan ik niet wist dat ik die in me had, tilde ik hem op en smolt hem met al mijn macht recht naar voren, tegen de borst van de handlanger aan.
De man struikelde achterover door de verrassing en de klap, verloor zijn evenwicht op de smalle rand van het platform en viel met een angstaanjagende gil achterover, vier meter naar beneden op de betonnen vloer beneden, waar hij roerloos bleef liggen tussen de kratten.
Bram gilde het uit van angst endeed een stap achteruit, struikelde over zijn eigen voeten en viel hard op zijn rug.
Ik wachtte geen seconde langer. Ik sprong over de reling van het platform, greep de stalen balk van een hangende takelconstructie vast die door de loods liep, liet me naar beneden vieren en smakt neer op een stapel zachte afdekzeilen op de grond. De schok deed pijn in mijn knieën, maar ik stond meteen weer op, rende op de halfopen schuifdeur af en verdween in de ijskoude Antwerpse nacht.






