deel 8:
De betonnen gang leek oneindig lang terwijl Sarah en ik rennend de uitgang naderden, met de zware stampende stappen van Callum angstaanjagend dicht op onze hielen. De echo van zijn boze geschreeuw weerkaatste tegen de muren en sneed door de muffe lucht. Ik voelde de adrenaline door mijn aderen pompen; mijn longen brandden van de koude lucht en elke stap voelde als een gevecht tegen de zwaartekracht.
Toch dwong ik mezelf om door te gaan. De gedachte dat de man met wie ik gisteren nog liefde had gezworen nu achter me aanzat om ons het zwijgen op te leggen, was te bizar voor woorden, maar de dreiging was gruwelijk echt. Vlak voor ons doemde de zware metalen buitendeur op, nog steeds op een kier zoals ik hem had achtergelaten.
Sarah bereikte de deur als eerste, gooide hem met al haar kracht open en sprong naar buiten op het winderige industrieterrein. Ik stormde direct achter haar aan, de frisse ochtendtucht sloeg me in het gezicht en we holden in de richting van mijn auto die een stukje verderop geparkeerd stond. Achter ons hoorden we de hoofdingang van het opslaggebouw opengaan met een harde klap; Callum was naar buiten gekomen.
"Stop! Sta stil!" schreeuwde hij met een stem die overging in pure woede. Ik keek heel even achterom terwijl ik rende en zag hem bij de deuropening staan, zijn silhouet afstekend tegen het kille ochtendlicht. Zijn gezicht was vertrokken van frustratie en zijn hand was nog steeds in de buurt van zijn jaszak. Maar hij had geen auto direct bij de hand; zijn eigen wagen stond waarschijnlijk aan de achterzijde van het complex of hij was met een andere methode gekomen.
"Naar de auto, snel!" schreeuwde Sarah buiten adem terwijl ze al bij het portier van mijn auto stond en het openprobeerde te trekken. Gelukkig had ik de deuren niet op slot gelaten toen ik daar in alle haast wegging. Ik greep naar mijn autosleutels in mijn jaszak, drukte op de knop en hoorde de geruststellende klik van de portieren. Sarah dook bliksemsnel de bijrijdersstoel in, en ik liet me achter het stuur vallen.
Mijn handen trilden zo erg dat ik de sleutel nauwelijks in het contactslot kreeg. In de achteruitkiekspiegel zag ik Callum over het terrein rennen, zijn tempo lag hoog en hij kwam gevaarlijk dichtbij. Met een paniekerige ruk draaide ik de sleutel om; de motor kwam tot leven met een luid gebrul. Ik schakelde direct in de achteruit, gaf vol gas en liet de banden piepen op het asfalt. Callum moest opzij springen om niet te worden geraakt, en terwijl ik de auto in zijn vooruit zette en wegscheurde van het terrein, zag ik hem in de spiegel naar ons schreeuwen, terwijl zijn vuist dreigend de lucht in ging. We waren ontkomen, maar ik wist dat dit pas het absolute begin van de nachtmerrie was.






