deel 14:
De gang was aardedonker, en het enige geluid dat we hoorden was het zachte tikken van lekkend water ergens in de verte en onze eigen ingehouden ademhaling. Met trillende handen haalde ik de kleine zaklamp tevoorschijn die ik uit Clara's landhuis had meegenomen, en ik klikte hem aan. De zwakke lichtbundel sneed door de duisternis en verlichtte de genummerde deuren aan weerszijden. 311, 313, 315... Nog twee deuren te gaan.
Mijn hart bonkte zo hard in mijn borst dat ik bang was dat Callum het zou kunnen horen, zelfs al was hij ergens anders. Toen stonden we voor opslagruimte 317. Het metalen plaatje op de deur glansde zwakjes in het schijnsel van de zaklamp. Met een trillende hand stak Sarah de messing sleutel in het slot. Het draaide met een zachte, vertrouwde klik om. We duwden de deur open en stapten de kleine ruimte binnen, waar het stoffige bureau en de bergen dozen nog precies zo stonden achtergelaten als vanmorgen.
"Zoek naar een dubbele bodem of een losse plank achter het bureau," fluisterde Sarah, terwijl ze meteen op hun knieën ging zitten en de dozen begon te doorzoeken. Ik knikte en liep naar het bureau. Met het licht van de zaklamp scheen ik langs de planken en de onderkant van het meubel. Mijn vingers voelden langs het hout, op zoek naar een verborgen hendel of een losse schroef.
Plotseling raakte mijn vinger iets hards en kouds aan de achterkant van de onderste lade – een klein metalen knopje. Met een lichte druk hoorde ik een zachte klik, en een verborgen laadje aan de onderkant van het bureau schoof met een haperend geluid open. Ik hield mijn adem in en scheen met de zaklamp naar binnen. Daar lag hij: een kleine, zwarte draagbare harde schijf, met een label erop waar het handgeschreven handschrift van mijn vader op stond: 'De Waarheid – Arthur de Jong' .
Een gevoel van triomf en emotie overspoelde me tegelijkertijd. We hadden hem. Het bewijs was in onze handen. "Ik heb hem!" fluisterde ik opgetogen tegen Sarah, die meteen achter me kwam staan en de harde schijf met bewonderende blik bekeek. "Nu kunnen we..." Voordat Sarah haar zin kon afmaken, klonk er plotseling een luid, ijzeren geluid vanuit de gang achter ons.
Het geluid van de zware buitendeur die met brute kracht werd opengeduwd, gevolgd door zware, vastberaden stappen die direct onze richting uitkwamen. Stomp, stomp, stomp. De stappen stopten pal voor de open deur van opslagruimte 317. We draaie ons om, en in het flikkerende licht van de gang stond Callum. Zijn gezicht was ijskoud, zijn ogen pijnlijk fel, en in zijn hand hield hij iets vast dat in de schemering griezelig glansde. Hij had ons klemgezet.






