deel 10:
Het scherm van mijn telefoon bleef oplichten in de middenconsole van de auto, met de naam Callum die daar onheilspellend knipperde alsof het een waarschuwing was van een naderend onheil. Het ringtone-geluid sneed door de stille spanning in de cabine. Ik staarde ernaar alsof het een giftig insect was dat elk moment kon toebijten. Naast me hield Sarah haar adem in en legde haar hand waarschuwend op mijn arm.
"Niet opnemen," fluisterde ze dringend, haar ogen gespannen gericht op het oplichtende scherm. "Als je nu opneemt, kan hij via de microfoon horen waar we zijn, of hij kan je aan het praten krijgen om te ontdekken waar we naartoe rijden." Ik knikte traag, hoewel mijn vingers jeukten om op de rode knop te drukken en hem te vragen wat dit in vredesnaam allemaal te betekenen had.
Ik wilde antwoorden. Ik wilde hem recht in zijn ogen vragen of alles, van onze eerste ontmoeting tot onze huwelijksbeloften van gisteren, een zorgvuldig gepland toneelstuk was geweest. Maar ik wist dat Sarah gelijk had. Op dit moment was elk contact een risico.
Na wat een kleine eeuwigheid leek, stopte het telefoongescrif en werd het scherm weer donker. Een diepe zucht van verlichting ontsnapte aan mijn lippen, maar die werd al snel weer ingeslikt toen mijn telefoon trilde van een inkomend bericht. Een melding op het scherm. Ik keek er schuin naar terwijl ik me concentreerde op de bocht in de landweg. Het was een sms van Callum.
Mijn hand trilde toen ik het bericht vluchtig las: “Waar ben je, liefje? Je liet me zomaar achter in het hotel. We hebben een vlucht te halen, en we moeten praten over wat je in mijn zak hebt gevonden. Doe geen domme dingen.” De rillingen liepen over mijn rug. “Doe geen domme dingen.” Dat was geen bezorgde opmerking van een pasgetrouwde echtgenoot; dat was een regelrechte dreiging.
Hij wist dus dat de sleutel weg was uit zijn smoking. Hij wist dat ik hem had meegenomen en dat ik naar die opslagruimte was gegaan. Hij hield me al die tijd al in de gaten, misschien zelfs vanaf het moment dat ik de kamer verliet.
"Wat zegt hij?" vroeg Sarah met een gespannen stem terwijl ze naar mijn gezicht keek. "Hij weet dat ik de sleutel heb," antwoordde ik met een bibberende stem. "En hij zegt dat we een vlucht te halen hebben... alsof er niets aan de hand is." Sarah schudde haar hoofd. "Dat is zijn tactiek. Hij probeert je terug te lokken naar een gecontroleerde omgeving waar hij de touwtjes weer in handen heeft.
We mogen absoluut niet terugkeren naar het hotel en we moeten onze telefoons uitschakelen." Zonder te aarzelen pakte ik mijn telefoon, schakelde het toestel volledig uit en gooide het in het dashboardkastje. Sarah deed hetzelfde met haar eigen telefoon. Vanaf dit moment waren we onbereikbaar voor de buitenwereld.
We reden in stilte door het weidse Nederlandse pandschap, waar de mist langzaam optrok onder de zwakke herfstzon. De bomen langs de weg flitsten aan ons voorbij als stille getuigen van onze vlucht. Na een halfuur rijden sloeg Sarah me aan en wees naar een smalle oprijlaan die verscholen lag achter een rij hoge populieren. "Daar is het," zei ze opgelucht.
"Het oude landhuis van Clara, de voormalige collega van je vader." Ik stuurde de auto de oprijlaan op en parkeerde het voertuig in de schaduw van een grote schuur, uit het zicht van de weg. Terwijl we uitstapten en naar de voordeur van het statige, ietwat verouderde landhuis liepen, vroeg ik me af of Clara ons wel kon helpen, of dat we juist nog dieper in een wespennest stapten waarvan we de uitgang nooit meer zouden vinden.






