deel 13:
De auto scheurde over de verlaten plattelandswegen, ver weg van het landhuis van Clara, terwijl de adrenaline door mijn aderen bleef gieren als vloeibaar vuur. Naast me zat Sarah, die met haar handen haar gezicht bedekte en diep ademhaalde om de schrik te verwerken. We hadden het gered, nipt wel te verstaan, maar we wisten dat Callum nu niet meer te stoppen zou zijn.
Hij had zijn masker volledig laten vallen; de charmante, liefdevolle man met wie ik gisteren in het huwelijk was getreden, was voorgoed dood en begraven. Wat overbleef was een meedogenloze tegenstander die koste wat kost wilde voorkomen dat het duistere geheim van zijn familie aan het licht zou komen. "Waar... waar gaan we nu naartoe?" vroeg Sarah met een hese, trillende stem toen ze haar handen liet zakken en naar me keek. "Als we niet naar Clara kunnen, en we de politie niet kunnen vertrouwen, waar eindigt dit dan?"
Ik keek strak voor me uit, terwijl de ruitenwissers van de auto ritmisch heen en weer bewogen over de voorruit die door een lichte motregen werd getroffen. "Naar het enige bewijsstuk dat we nog hebben," zei ik vastberaden, en de besluitzomderheid in mijn eigen stem verbaasde me. "Naar opslagruimte 317. Clara zei dat de harde schijf met het volledige dossier daar verborgen ligt.
Als we die harde schijf te pakken krijgen, hebben we niet alleen bewijs over de moord op mijn vader, maar hebben we ook de sleutel om Callum voorgoed uit te schakelen." Sarah knikte langzaam, hoewel haar ogen twijfel uitstraalden. "Maar Callum weet toch dat we die sleutel hebben? Hij zal er zeker voor zorgen dat de opslagruimte nu bewaakt wordt, of erger nog, hij zal ons daar opwachten."
"Dat is een risico dat we moeten nemen," antwoordde ik, terwijl ik het stuur steviger vasthield. "Want als we nu niets doen, blijft hij ons achtervolgen tot we nergens meer heen kunnen." We keerden terug richting de stad, dit keer via secundaire wegen om de grote snelwegen en eventuele controlepunten van Callum te vermijden. De schemering begon al langzaam in te zetten, en de hemel kleurde donkerpaars en grijs boven de skyline van de stad.
Toen we aankwamen bij het grauwe industrieterrein, was het er uitgestorven en kil. Ik parkeerde de auto een eindje verderop in een donkere steeg, uit het zicht van de hoofdingang. We stapten uit en liepen behoedzaam, bukkend langs de schaduwen van de muren, naar de zware metalen deur van het opslaggebouw. Tot onze opluchting stond de deur nog steeds op een kier, precies zoals we hem eerder hadden achtergelaten in onze haast. We glipte naar binnen, de donkere, kille gang in, en liepen op opgestoken tenen richting opslagruimte 317, hopend dat we er eerder zouden zijn dan de man die ons leven tot een levende nachtmerrie had gemaakt.






