deel 4:
De voetstappen kwamen dichterbij, zacht en ritmisch, alsof iemand heel goed wist waar hij moest lopen om geen onnodig lawaai te maken, maar toch onmiskenbaar aanwezig in de holle echo van de gang. Mijn adem stokte in mijn keel. Mijn handen werden koud en ik voelde de paniek als een koude hand om mijn borst sluiten. Wie kon dit zijn? Was Callum me gevolgd?
Had hij gemerkt dat ik weg was uit de hotelsuite, of had hij een verborgen tracker in mijn telefoon of auto opgemerkt waardoor hij precies wist waar ik naartoe was gereden? De gedachte dat hij me in de gaten hield, zelfs op de ochtend na onze huwelijksreis, deed mijn maag samentrekken van angst en ongeloof. Ik wilde wegduiken, ergens achter de hoge stapels dozen gaan staan om te ontkomen aan de confrontatie, maar mijn benen voelden aan als lood. Ik kon geen kant op. De deuropening van opslagruimte 317 was de enige in- en uitgang, en de voetstappen naderden nu snel de deur.
De schaduw viel als eerste over de drempel. Een langgestrekte gestalte verscheen in het zwakke licht van de gang en bleef toen stokken bij de open deur. Mijn ogen waren groot van angst toen ik opkeek om te zien wie daar stond. Maar tot mijn stomme verbazing was het geen lange gestalte met brede schouders. Het was een slanke vrouw met halflang blond haar, gekleed in een eenvoudige regenjas, die met minstens net zoveel shock en ongeloof naar mij keeke als ik naar haar.
Ze hield haar hand voor haar mond alsof ze een kreet wilde onderdrukken. Haar ogen vlogen van mijn gezicht naar de rommelige ruimte achter me, vol met de spullen van mijn vader en het bizarre prikbord met foto's. "Wie... wie ben jij?" bracht de vrouw uit met een hese, bevende stem die trilde van emotie. "Wat doe jij hier in vredesnaam?" Ik deed een stap achteruit, mijn rug bijna tegen het bureau aan, terwijl ik mijn verdedigende houding aannam. "Dat is mijn vraag," antwoordde ik scherp, hoewel mijn stem oversloeg door de spanning. "Dit is de opslagruimte van mijn vader. En jij... wie ben jij en hoe kom jij hier binnen? Heb jij ook een sleutel?"
De vrouw keakte me aan alsof ze een geest zag. Ze liet langzaam haar hand zakken en schudde haar hoofd, alsof ze wilde ontkennen wat ze zag. "Je vader?" herhaalde ze fluisterend. "Bedoel je... ben jij de dochter van Arthur? Arthur de Jong?" Mijn naam leek vast te zitten in mijn keel, maar ik knikte traag. De blik in de ogen van de vrouw veranderde in een fractie van een seconde van angst naar diepe, verpletterende medelijden.
Ze stapte de ruimte binnen, haar ogen speurend langs de mappen op het bureau. "Oh nee," mompelde ze zacht. "Je weet het niet, hè? Je hebt geen enkel idee waarin je verstrikt bent geraakt." Ik voelde hoe de grond onder mijn voeten wegzakte. Mijn gedachten tolden rond. "Weten? Weten wat?" riep ik uit, waarbij mijn stem door de kleine ruimte galmde. "Waar heb je het over?
Wie ben jij in vredesnaam?" De vrouw keek me recht in de ogen aan, haar blik doordringend en vastberaden. "Mijn naam is Sarah," zei ze rustig. "En ik ben hier omdat ik al maanden probeer te ontdekken wie jouw man, Callum, werkelijk is. De man met wie jij gisterentrouwd bent, is niet wie je denkt dat hij is. En die sleutel... die sleutel heb ik hier vandaag naartoe gebracht om antwoorden te vinden, net als jij."






