Deel 15: Een nieuwe morgen
Het bericht op mijn telefoon bevatte slechts één enkele regel tekst en een coördinaat, ergens aan de rand van de stad, vlakbij de rivier waar we vroeger wel eens over hadden gepraat tijdens onze ochtendrituelen. Inspecteur van Dalen keek over mijn schouder mee toen ik het las. ‘Wat is dat?’ vroeg hij argwanend. Ik schudde mijn hoofd, maar voelde voor het eerst in weken geen angst meer, alleen een vreemde, kalme vastberadenheid.
‘Geen idee,’ antwoordde ik zachtjes. ‘Maar ik denk dat het tijd is om te gaan.’ De nacht maakte plaats voor de eerste schemering van een nieuwe ochtend. De storm was gaan liggen; de straten van de stad lagen er schoon en gewassen bij in het vroege ochtendlicht. Ik liep het politiebureau uit, de frisse ochtendlucht tegemoet. Bij de ingang van het metrostation, exact op dezelfde plek waar het allemaal was begonnen, stond een klein koffiekraampje net zijn rolluiken omhoog te duwen.
De geur van verse koffie vermengde zich met de koude ochtendlucht. Ik liep erheen, bestelde twee bekers – één met melk en suiker voor mezelf, en één zwarte koffie – en liep naar het bankje waar Larry altijd had gezeten. Het bankje was leeg. Er lag geen kartonnen bord. Er was geen bedelaarsman met een triest verhaal. Maar toen ik de warme beker koffie op het bankje zette en naast de plek ging zitten waar hij altijd zat, voelde ik de ochtendwind zachtjes langs mijn gezicht strijken, alsof iemand fluisterde dat het goed was. Ik glimlachte, nam een slok van mijn koffie, en keek naar de mensen die haastig langsliepen, klaar voor wat de dag me zou brengen...






