DEEL 2 – De erfenis van de dode man
De woorden van Martin bleven door mijn hoofd echoën alsof ze uit een andere dimensie kwamen. Mijn man, David, was zes maanden geleden overleden aan een plotselinge hartaanval in datzelfde afgelegen houten huis in de bergen. Iedereen dacht aan een natuurlijk overlijden. De artsen hadden niets verdachts gevonden. Althans, dat was wat de officiële papieren zeiden.
“Dat is onzin,” fluisterde ik, terwijl de tranen zich vermengden met het bloed op mijn wangen. “David en ik hielden van elkaar. Waarom zou hij iemand inhuren om mij te schaduwen?” Martin keek me ernstig aan terwijl hij met zijn zaklamp voorzichtig de deur van het wrak probeerde los te wrikken. Het metaal piepte luid onder zijn druk. “Omdat David niet dom was, Clara.
Hij bezat miljoenen door zijn vastgoedbedrijf, en toen hij merkte dat zijn testament op mysterieuze wijze was aangepast vlak voor zijn dood, begon hij iedereen te wantrouwen. Zelfs jou.” “Mijn testament aangepast?” Mijn stem brak. “Ik heb nooit iets aangepast! Alles ging naar Caleb en naar mij volgens het oorspronkelijke plan.” “Dat dacht je,” antwoordde Martin koel, terwijl hij eindelijk het portier een stukje wist te openen zodat de druk van mijn been verdween.
“Maar iemand in dit huishouden had toegang tot Davids kluis. Iemand die jong is, uiterst charmant, en heel goed weet hoe hij volwassenen kan bespelen. Caleb is niet zomaar een bezorgde tiener, Clara. Hij is een meestermanipulator.” Terwijl Martin sprak, voelde ik een koude rilling door mijn ruggengraat gaan die niets te maken had met de stromende regen of de ijzingwekkende bergwind.
Ik herinnerde me de laatste weken voor Davids dood. De kleine dingen. Caleb die altijd rondhing in de studeerkamer. De onverklaarbare medicijnflesjes die plotseling in de badkamer verschenen. De manier waarop David steeds vaker verward en achterdochtig werd tegenover mij. Was dat niet zijn dementie of ouderdom? Of was het iets veel kwaadaardigers? “Als David jou drie jaar geleden inhuurde,” zei ik, terwijl Martin mijn arm vastpakte om mij voorzichtig uit het wrak te tillen, “waarom heb je me dan toen niet gewaarschuwd?” Martin hielp me over de modderige grond naar zijn vrachtwagen lopen, waar de motor zachtjes stationair draaide in de duisternis.
Hij deed de deur open en liet me op de warme passagiersstoel plaatsnemen voordat hij antwoordde. “Omdat ik mijn opdrachten afmaak,” zei hij met een ijzige kalmte in zijn stem. “Drie jaar lang heb ik je in de gaten gehouden. Ik zag je voor de klas staan op de universiteit, ik zag je boodschappen doen in het dorp, ik zag hoe je voor David zorgde toen zijn gezondheid achteruitging.
En weet je wat ik ontdekte, Clara? Je was onschuldig. David hield zielsveel van je, maar iemand fluisterde gif in zijn oren. En diezelfde persoon fluistert nu gif in het oor van de hele gemeenschap.” “Caleb,” fluisterde ik. “Caleb,” bevestigde Martin. “En hij is nog lang niet klaar. Dit ongeluk was geen amateurwerk. De remleidingen waren vakkundig doorgesneden met chirurgische precisie.
Als ik niet toevallig op deze route reed om een oude schuld in te lossen, was je hier vannacht gestorven.” Ik leunde achterover tegen de stoel, mijn ademhaling hortend van de pijn en de paniek. De verwarming van de vrachtwagen blies warme lucht in mijn gezicht, maar ik voelde alleen maar een diepe, bijtende kou. Als Caleb mij wilde vermoorden voor de erfenis, dan betekende dat één ding: ik was niet langer veilig, waar ik ook heen ging.
De politie in het district vertrouwde Caleb blindelings; hij speelde immers de rol van de rouwende stiefzoon die zijn moeder verloor. Plotseling klonk er een fel geluid in de verte. Het geluid van naderende sirenes. Rood-blauwe lichten sneden door de dichte mist boven de bergkam. Martin verstijfde achter het stuur. Zijn handen grepen het stuurwiel zo vast dat zijn knokkels wit werden.
“Ze zijn er,” zei Martin grimmig. “En Caleb heeft ze al verteld dat jij de macht over het stuur verloor omdat je dronken was of aan de telefoon zat.” Ik keek naar mijn bebloede handen en daarna naar Martin. “Wat gaan we nu doen? Als ze ons hier vinden, arresteren ze mij voor roekeloos rijgedrag, of erger… dan helpen we Caleb eigenhandig aan zijn alibi.” Martin startte de motor met een ruwe ruk en schakelde zijn grootlicht uit. “We gaan nergens heen,” zei hij, terwijl hij in de achteruitkijkspiegel keek waar de eerste politiewagen de rand van de afgrond naderde. “We gaan het spel meespelen. Maar om te winnen, moeten we de jager in een val locken.”






