DEEL 13 – De val van de meesterbrein
De koude druppel uit het metalen buisje hing even aan de rand voordat hij naar beneden zou vallen in het glas water dat op het bureau stond. Martin keek me aan met een blik van volkomen zakelijke kilte, zijn hand dicht bij mijn mond om me te dwingen het in te nemen. “Niet bewegen, Clara,” zei hij zacht. “Dan doet het minder pijn.” Maar op het moment dat zijn vingers mijn kin wilden vastpakken, klonk er een daverende knal door het hele huis.
Het glas in het grote raam van de werkkamer verspliterde in duizenden stukjes. Martin werd naar voren geslingerd door een onzichtbare kracht, het metalen buisje vloog uit zijn hand en rolde over de houten vloer, en een scherpe, militaire flits verlichte de schemerige kamer. Ik schreeuwde het uit van angst en gooide mezelf van de bureaustoel naar de grond, mijn gipsen been pijnlijk stotend tegen de plint.
“FBI! Handen omhoog! Niet bewegen!” klonk de donkere, galmende stem van een agent door de kapotte ruit. Binnen een fractie van een seconde braken vier zwaarbewapende federale agenten door de voordeur en de ramen van de hut naar binnen. Ze stormden de werkkamer in met getrokken automatische geweren en wierpen Martin tegen de grond voordat hij ook maar naar zijn eigen vuurwapen kon grijpen.
Martin werd met zijn gezicht hard op de planken gedrukt, zijn armen in een wurggreep achter zijn rug getrokken, terwijl de metalen handboeien met een harde klik werden vastgeslagen. “Martin Vale, je bent gearresteerd op verdenking van moord, samenzwering en internationale fraude,” klonk de stem van de agent die boven hem stond. Ik lag op de grond, trillend van de adrenaline en de pijn, en keek omhoog naar het raam waar de rook langzaam optrok.
Uit de schaduw van de veranda stapte een bekende gestalte naar voren. Het was rechercheur Miller – of beter gezegd, Miller die blijkbaar een deal had gesloten met de federale eenheid om zijn eigen straf te verminderen door het hele plan van Martin op tafel te leggen. Miller keek door het gebroken raam naar binnen en zag mij op de grond liggen. Hij stak zijn hand uit om me overeind te helpen.
“Gaat het, mevrouw Miller?” vroeg hij met een gebroken, schuldbewuste stem. Ik nam zijn hand aan, trok me moeizaam overeind en keekte naar Martin, die met een verbeten, dodelijke blik werd afgevoerd door de federale agenten. “Het gaat,” zei ik, terwijl de tranen van ontlading over mijn wangen stroomden. “Voor het eerst in maanden... gaat het echt goed.”






