DEEL 9 – Een gezicht uit een andere tijd
De man die in het zwakke licht van de veranda stond, droeg een eenvoudige jas en een hoed die zijn voorhoofd deels bedekte, maar de blik in zijn ogen kon ik niet miskennen. Het waren dezelfde warme, diepbruine ogen die mij in de zomer van 1970 vanaf onze trouwfoto hadden aangekeken. Hoewel zijn gezicht was getekend door diepe rimpels, littekens en de onverbiddelijke tand des tijds, zag ik de jonge James nog steeds in hem weerspiegeld.
Ik kon geen enkel woord uitbrengen; mijn keel voelde droog aan en mijn benen weigerden mij nog langer te dragen. De man deed een stap naar voren, glimlachte zwakjes en zei met een hese, ontroerende stem: "Hallo, Mary. Het is veel te lang geleden." Tranen stroomden onophoudelijk over mijn wangen terwijl ik mijn handen voor mijn mond sloeg om een snik te onderdrukken.
Dit was geen droom en geen hallucinatie van een eenzame oude vrouw; hij stond hier echt, na zesenvijftig jaar van wanhoop en gemis. Ik greep zijn arm alsof ik wilde controleren of hij wel van vlees en bloed was. "James..." fluisterde ik, en het was alsof die ene naam de vloek van al die decennia in één klap verbrak. Hij trok me zachtjes in zijn armen en hield me vast, precies zoals hij had gedaan op die ochtend van zijn vertrek in 1970.
Maar voordat we konden genieten van dit onmogelijke weerzien, hoorden we in de verte het geluid van accelererende autobanden die met piepende banden onze straat inreden, en James trok me abrupt mee naar binnen en sloot de deur op slot met een somber gezicht. "Ze hebben ons gevonden," fluisterde hij.






