DEEL 3 – De schaduw in het verlaten postkantoor
Het oude postkantoor aan de rand van de stad stond al jaren leeg. De ramen waren bedekt met een dikke laag stof en de verf op de houten deur bladerde langzaam af in de gure wind. Toen ik er met mijn oude auto arriveerde, was er op straat geen levende ziel te bekennen. De stilte was bijna tastbaar, verbroken enkel door het geruis van de wind door de kale bomen.
Met bonzende hartslag stapte ik uit en duwde de zware toegangsduur open. Binnen rook het muf en naar oud papier. De vloer kraakte onder elke stap die ik zette. Kluisje nummer zevenenzestig bevond zich in een donkere hoek achter de oude loketten, waar het zonlicht amper door de vieze vensters wist door te dringen. Mijn vingers trilden toen ik de kleine ijzeren deur naderde.
Zou het open zijn? Of liep ik in een val? Met een kloppend hart stak ik de sleutel in het slot die ik in de envelop had aangetroffen – een sleutel die ik tot een uur geleden nog nooit in mijn handen had gehad. Tot mijn verbazing draaide het slot soepel om. Ik trok het deurtje open en zag een kleine, bruine leren tas liggen. Geen geld, geen juwelen, maar wel een dik dossier met vergeelde papieren, handgeschreven notities en een reeks foto’s uit de tijd van de oorlog.
Bovenop het dossier lag een cassettesbandje met een klein label waarop mijn naam met de hand was geschreven: Voor Mary . Plotseling hoorde ik achter me een geluid. Een zachte voetstap op het gekraakte hout. Ik draaide me abrupt om in het halfdonker, maar de gang leeg te lijken. Toch wist ik het zeker: ik werd niet alleen begluurd door de spoken van het verleden, maar door iemand die hier nu, op dit exacte moment, op mij stond te wachten.






