Het felle, helblauwe licht van de snijbrander vrat zich ongenadig een weg door het metersdikke staal van de drukdeur. Een regen van vloeibaar, roodgloeiend metaal spatte op de met rijp bedekte houten vloer van Compartiment Delta. De geur van verbrand staal en scherpe ozon verdreef de rustgevende aroma van lavendel en oud eikenhout. De tijd raakte op.
‘Snel!’ schreeuwde Arthur, terwijl hij een zware houten balk opraapte om de deur te barricaderen zodra de snijbrander erdoorheen zou komen. ‘Als het vloeistofniveau zakt voordat het opwarmingsserum is toegediend, raakt hij in een shock waaraan hij niet kan ontsnappen!’
Ik dwong jezelf om niet naar de vonkenregen bij de deur te kijken. Ik concentreerde me volledig op de glazen tank en het eikenhouten bedieningspaneel. Ik stak de zware koperen sleutel van mijn vader in het linker sleutelgat, en het kleine zilveren sleuteltje van mijn moeder in het rechter slot.
‘Op drie!’ roep ik tegen Arthur, hoewel hij bij de deur stond te postvatten. ‘Eén... twee... DRIE!’
Ik draaide beide sleutels tegelijkertijd een kwartslag naar rechts.
Klik-klak!
Een diepe, basachtige trilling ging door het bedieningspaneel. De analoge meters op het bord begonnen wild uit te slaan. De groene lijn op het hartscherm versnelde plotseling van vier slagen per minuut naar twaalf, daarna naar dertig. Binnenin de glazen cilinder begonnen honderden kleine luchtbellen op te stijgen vanuit de bodem. Het melkachtige vloeistof veranderde langzaam van kleur, van troebel wit naar helder roze, terwijl de automatische opwarmingssystemen het mengsel op lichaamstemperatuur brachten.
De ijskristallen op het glas smolten als sneeuw voor de zon.
Door de helder wordende wand zag ik hoe de gedaante van Jasper begon te bewegen. Zijn vingers verkrampten licht; zijn borstkas maakte een eerste, schokkerige beweging—een automatische reflex van longen die na vijftig jaar voor het eerst weer zuurstof probeerden op te nemen.
‘Het werkt!’ fluisterde ik met een traan op mijn wang. ‘Hij ontwaakt!’
Op dat moment stortte een groot gedeelte van de stalen drukdeur met een donderend razen naar binnen. Rook en vuur stroomden het compartiment binnen.
Drie mannen in zwarte tactische kleding sprongen door het ontstane gat. Aan het hoofd van het team stond een man met een doorgroefd, meedogenloos gezicht en ijskoude blauwe ogen. Hij droeg geen masker. Ik herkende hem direct van een van de oude documenten in het kistje: het was Dokter Victor Vance, de voormalige leider van het medische onderzoeksteam van De Vijf Eiken—inmiddels een hoogbejaarde, maar fysiek nog altijd indrukwekkende verschijning.
‘Stop de procedure!’ schreeuwde Vance met zijn mechanische voice-box, terwijl hij een pistool met geluidsdemper recht op mijn hoofd richtte. ‘Schakel de generator uit! Dat subjek behoort aan het consortium!’
Arthur wierp zichzelf zonder aarzelen voor me. Hij hief de zware houten balk op en sloeg naar de gewapende man naast Vance. De balk trof de man vol op zijn schouder, waardoor zijn wapen kletterend op de vloer viel. Maar Vance bedacht zich geen seconde: hij vuurde een schot af.
Het doffe geluid van het pistool galmde door de ruimte. Arthur stoapte abrupt. Hij keek met grote, ongelovige ogen naar zijn borstkas, waar een donkere rode vlek zich snel uitbreidde over zijn lange regenjas. Hij zakte langzaam op zijn knieën en viel op de houten vloer.
‘Arthur!’ schreeuwde ik in totale wanhoop.
‘Geen beweging, mevrouw,’ zei Vance ijskoud, terwijl hij een stap dichterbij deed en de loop van het pistool tegen mijn voorhoofd drukte. ‘Cor is dood. Arthur is dood. Je bent alleen. De chip en de documenten zijn nu van ons. En je broer gaat terug naar het laboratorium waar hij hoort.’
Ik staarde hem aan met een mengeling van pure haat en angst. Mijn hele lichaam trilde, maar ik weigerde mijn ogen neer te slaan.
‘Jullie zijn monsters,’ spuugde ik hem toe. ‘Jullie hebben onze familie verwoest!’
Vance glimlachte koud. ‘Wij hebben de geschiedenis vormgegeven. En jouw vader was slechts een eenvoudige ambachtsman die dacht dat hij de vooruitgang kon tegenhouden.’
Hij reikte met zijn vrije hand naar de hefboom om de generator uit te schakelen.
Maar net voordat zijn vingers het metaal raakten, klonk er een hard, barstend geluid vanuit de glazen cilinder achter me.
KRAAK!
Het dikke geharde glas van de tank vertoonde een diepe, stervormige scheur. Vance verstijfde en keek gechoqueerd naar de cilinder.
Binnenin de tank waren de ogen van Jasper wijd opengegaan.
Het waren geen gewone ogen. Zijn pupil had een merkwaardige, oplichtende zilveren gloed—het directe resultaat van de genetische modificaties die vijftig jaar geleden in zijn lichaam waren aangebracht. Met een bovenmenselijke kracht sloeg Jasper met zijn blote vuist tegen de beschadigde plek in het glas.
BAM!
Het glas verbrijzelde in duizenden scherpe stukken. Honderden liters opwarmingsvloeistof stroomden over de vloer en spoelden Vance en zijn mannen van hun voetstuk.
Jasper stapte uit de ruïnes van zijn vijftigjarige gevangenis, nat, ademhalend als een gewond roofdier, en keek recht naar Dokter Vance...






