De Sleutels van de Verleden Tijd
News Story

De Sleutels van de Verleden Tijd

5 weergaven

De grond onder de zwarte terreinwagens verzakte met een schokkend razen. De zware betonnen fundering van Bunker 104, die decennialang de druk van de ondergrondse ruimtes op zijn plaats had gehouden, begaf het onder de reeks explosies op Niveau minus twee. Bomen hellenden gevaarlijk over; diepe scheuren trokken door het mudderige bospad van Den Dolder.

Één van de zwarte terreinwagens gleed met een luid gekraak van brekende takken in een pas ontstane krater. De gewapende mannen van Senator Van Foreest raakten op het verkeerde been en moesten hun dekking opgeven om niet door de zakkende aarde te worden opslokt.

‘Vang ze!’ schreeuwde Van Foreest met een zeldzame paniek in zijn anders zo beheerste stem. ‘Laat het subjek niet ontkomen!’

Jasper reageerde in een fractie van een seconde. Hij greep mijn arm vast en trok me mee de dichte, ongebanade dennenbossen in, weg van het instortende bospad. Kogels maaiden door de bladeren en takken boven onze hoofden; schors vloot door de lucht. Maar de dichte mist die tussen de bomen hing, gecombineerd met de chaos van de instortende bunker, gaf ons de broodnodige voorsprong.

We rennen tot onze longen brandden. Mijn schoenen zakten diep weg in de drassige moslaag. De koude ochtendlucht sneed als messteken in mijn keel, maar de adrenalinestoot hield me op de benen. Jasper leidde me met een schijnbaar intuïtieve kennis van het terrein door het bos—zijn zintuigen waren door de modificaties vele malen scherper dan die van een gewoon mens. Hij hoorde het breken van een tak op honderd meter afstand en zag de contouren van het pad door de dichtste mist.

Na twintig minuten intensief rennen bereikten we een verlaten spoorlijn die dwars door de bossen van Soestduinen liep. De roestige rails lagen half overwoekerd tussen het hoge gras.

Jasper bleef staan en hief zijn hand op. Hij luisterde strak naar het oosten.

In de verte klonk het ritmische, diepe gedaver van een naderende goederentrein.

‘Een trein?’ ademde ik gechoqueerd, terwijl ik mijn handen op mijn knieën liet rusten om op adem te komen. ‘Jasper, wat ben je van plan?’

Jasper sprak voor het eerst. Zijn stem was rauw, schor en diep, alsof de stembanden na vijftig jaar niet gebruikt te zijn moeite hadden om woorden te vormen.

‘Utrecht... Centraal...’ bracht hij er stotterend uit.

Ik staarde hem met grote ogen aan. ‘Kun je spreken?’

Jasper knikte langzaam. Een zwakke glimlach verscheen om zijn lippen. ‘Cor... sprak... tegen mij... door de tank... vijftig jaar... Hij vertelde... over de stad.’

Tranen schoten me opnieuw in de ogen. Onze vader had niet alleen het systeem onderhouden; hij had al die vijftig jaar tegen zijn ingevroren zoon gesproken, hem verhalen verteld over de buitenwereld, over Utrecht, over de stad waar wij woonden. Cor had hem de Nederlandse taal geleerd door de wanden van het glas heen!

De zwarte goederentrein dook op uit de mist. Hij reed op lage snelheid over het verouderde spoorvak.

Jasper greep me stevig vast, wachtte op het juiste moment en sprong met een krachtige afzet op de metalen uitsteeksel van een van de grote, gesloten goederenwagons. We klemden ons vast aan de ijskoude spijlen van de wagon terwijl de trein zijn weg vervolgde in de richting van het spoornetwerk van Midden-Nederland.

De treinreis duurde dertig minuten. De ijskoude wind sneed door onze kleren, maar het loden kistje bleef veilig in mijn bezit. We kropen achter een stapel houten palletten die op een open platte wagon lagen om uit het zicht te blijven van eventuele spoorwegpolitie.

Toen de trein vaart minderde bij het goederenemplacement ten zuiden van Utrecht Centraal, lieten we ons voorzichtig in het hoge gras langs de spoorbaan zakken. We bevonden ons aan de rand van de oude industriewijk van de stad, een gebied vol verlaten fabriekspanden en werven.

‘Waar gaan we heen?’ vroeg ik, terwijl ik de modder van mijn kleren veegde. ‘Van Foreest controleert de politie, het ziekenhuis en waarschijnlijk ook de autoriteiten. We kunnen nergens veilig terecht.’

Jasper wees naar een oude, rode bakstenen watertoren die aan de horizon verrees.

‘De vriend... van Cor,’ zei Jasper met een steeds helderder wordende stem. ‘De archivaris.’

Mijn herinnering schoot ineens terug naar mijn jeugd. Cor had in de jaren tachtig één enkele vriend gehad die hij heel af en toe bezocht—een zonderlinge, gesloten man genaamd Thomas, die als hoofdarchivaris werkte bij het Utrechts Archief en woonde in de omgebouwde watertoren aan de kade. Thomas was de enige persoon die Cor ooit in zijn werkplaats had toegelaten.

We baanden ons een weg door de rustige binnenstadssingels, ontwijkend waar mogelijk de drukke wegen.

Toen we bij de zware eikenhouten deur van de watertoren aankwamen, klopte ik met de koperen klopper drie keer kort en twee keer lang—de geheime klopcode die Cor vroeger altijd gebruikte wanneer hij bij zijn vriend op bezoek ging.

Het duurde lang voordat er beweging achter de deur kwam.

Uiteindelijk ging de kleine spionopening in het hout open. Een paar argwanende, oplichtende ogen achter een dikke bril keek ons aan.

‘Cor?’ fluisterde een oude, trillende stem.

‘Cor is dood, meneer Thomas,’ zei ik met georganiseerde kalmte. ‘Ik ben zijn dochter. En dit is Jasper. Cor heeft ons gestuurd.’

De zware deur zwaaide direct open...