De rood opflitsende alarmsirene transformeerde de trappenschacht in een hels schouwspel van flikkerend licht en dikke, verstikkende rook. Het schurende geluid van gewapend beton dat onder de gigantische druk van de bovenliggende aardlagen bezweek, galmde dof door de schacht. Het automatisch vernietigingssysteem van Cor telde onverbiddelijk af: nog vier minuten voordat de ondersteunende ladingen op Niveau minus twee zouden ontploffen.
‘De trap is weg!’ schreeuwde ik tegen het lawaai in. Ik staarde wanhopig omhoog naar de tien meter diepe afgrond tussen ons en het eerste bruikbare bordes. De verwrongen stalen balken hingen als doornen in de duisternis.
Jasper stapte naar voren. Hij keek niet naar de verwoeste trap, maar naar een dikke, geteerde ventilatiepijp die verticaal langs de bakstenen muur van de schacht omhoog liep. De pijp was verstevigd met zware, eikenhouten stutten—wederom de hand van onze vader Cor, die deze schacht decennia geleden had hersteld.
Jasper wees naar de pijp, keek me aan en maakte een gebaar dat ik op zijn rug moest klimmen.
‘Ben je gek?’ roep ik uit. ‘Dat red je nooit! Die pijp is glad van het vocht!’
Maar Jasper wachtte niet op mijn toestemming. Hij greep me bij mijn taille, tilde me met een schijnbaar moeiteloze beweging op en plaatste mijn armen stevig om zijn nek. Ik klemde mijn benen om zijn middel en hield het loden kistje met mijn tanden en één hand strak tegen mijn borst gedrukt.
Jasper sprong.
Zijn fysieke vermogens waren werkelijk angstaanjagend. Hij sprong meer dan twee meter recht omhoog, greep een stalen beugel van de ventilatiepijp vast en trok ons met brute spierkracht omhoog. Zijn spieren spanden zich als stalen kabels onder zijn dunne, natte gewaad. Hij klom met de snelheid en behendigheid van een acrobaat langs de verticale muur omhoog, terwijl er om ons heen betonstof en kleine stenen naar beneden regenden.
Toen we het bordes van Niveau minus één bereikten, liet hij me voorzichtig op het metalen rooster zakken. Hij ademde nauwelijks sneller dan normaal; de genetische aanpassingen maakten hem immuun voor de fysieke uitputtingsverscheinsels die een gewoon mens op dit punt zouden vellen.
‘Dank je,’ ademde ik gechoqueerd.
Maar er was geen tijd om stil te staan bij zijn krachten. De wanden van de gang begonnen hevig te trillen. Een eerste, kleine explosie galmde diep onder ons op Niveau minus twee—het teke dat de vernietigingsladingen begonnen af te gaan.
We renden door de gang van Niveau minus één, voorzichtig ontwijkend waar de koperen ontstekingsdraden op de vloer lagen. We bereikten de steile schacht die naar de geheime houten uitgang aan de buitenkant van de bunker leidde.
Toen we door de opening kropen en het frisse, kille buitenlicht van de Dennebossen ons tegemoet stroomde, viel er een loodzware last van mijn schouders. Het was inmiddels vroeg in de ochtend; de eerste zonnestralen sneden door de kletsnatte mist van Den Dolder. De lucht rook heerlijk naar dennennaalden, natte aarde en vrijheid.
Maar onze opluchting was van korte duur.
Vlak voor de bunker, op het drassige bospad, stonden vier zwarte terreinwagens opgesteld in een halve cirkel. Meer dan tien gewapende mannen in zwarte tactische kleding stonden opgesteld achter de geopende portieren van hun voertuigen, hun aanvalsgeweren strak op de uitgang van de bunker gericht.
In het midden van de opstelling stond een man in een duur, donkerblauw maatpak. Hij droeg een lange op maat gemaakte mantel en een hoed die zijn gezicht gedeeltelijk in de schaduw hield. Hij was rond de zeventig jaar oud, had een zilveren wandelstok met een ivoren knop in zijn hand, en straalde een autoriteit uit die geen twijfel liet bestaan over zijn identiteit.
Het was Senator Bernard van Foreest—de hoogste politieke leider van De Vijf Eiken, en de man die al vijftig jaar achter de schermen aan de touwtjes trok in Den Haag.
‘Mevrouw Van der Meer,’ sprak Van Foreest met een kalme, aristocratische stem die moeiteloos door de stilte van het bos sneed. ‘En het beroemde Subject 02. Wat een opmerkelijke familiereünie op deze vroege ochtend.’
Jasper deed direct een stap voor mij, zijn asgrijze ogen strak op de senator gericht. Zijn vuisten verkrampten.
‘Doe het niet, jongeman,’ waarschuwde Van Foreest zacht, terwijl hij met zijn wandelstok op de grond tikte. Vijf gewapende mannen richtten hun laser vizieren direct op het hart van Jasper. ‘Je mag dan genetisch superieur zijn gemaakt aan ons gewone stervelingen, maar tien millimeter kogels door je longen overleef je evenmin.’
‘Wat wilt u van ons?’ schreeuwde ik, terwijl ik naast Jasper ging staan en het loden kistje hoog in de lucht hield. ‘Alles staat in dit kistje! De namen van de rechters, de politici, de medische experimenten! Als u ons iets aandoet, worden deze documenten automatisch doorgestuurd naar de landelijke pers!’
Van Foreest lachte zachtjes—een koud, gortdroog geluid. ‘Denkt u werkelijk dat Cor van der Meer de enige was met een digitaal netwerk? Die documenten in uw hand zijn waardevol, mevrouw. Maar de ECHTE waarde staat naast u.’
Hij wees met zijn ivoren wandelstok naar Jasper.
‘Het menselijk DNA dat in zijn aderen stroomt, is het sleutelstuk voor een nieuw generatie bio-farmaceutische patenten waard miljarden euro’s,’ vervolgde Van Foreest. ‘Uw vader dacht dat hij hem verborgen hield uit liefde. Maar hij heeft hem simpelweg vijftig jaar lang geconserveerd voor ONZE finale fase.’
Op dat moment klonk er een diepe, ondergrondse schokgolf onder onze voeten.
Bunker 104 stortte definitief in. Een enorme wolk van stof en beton stroomde uit de houten schacht. De bodem onder de terreinwagens begon te zakken...






