De Sleutels van de Verleden Tijd
News Story

De Sleutels van de Verleden Tijd

5 weergaven

Het splinterende hout van de werkplaatsdeur galmde door de nacht. Stof en zaagsel dwarrelden neer in de straal van mijn zaklamp. Muren trilden op hun grondvesten toen zware stappen de hoofdruimte binnendrongen. Ik hoorde het metallic klikken van doorgeladen vuurwapens en harde, zakelijke bevelen die door de ruimte werden geschreeuwd. Dit waren geen gewone politieagenten uit Utrecht. Hun stemmen klinken getraind, ijskoud en emotieloos.

‘Zoek het achterste gedeelte!’ schreeuwde een diepe mannenstem. ‘De timmerman had een dochter. Ze heeft het kistje waarschijnlijk al gevonden. Geen getuigen achterlaten!’

Mijn hart sloeg een slag over. Geen getuigen? Dit ging niet meer over oude familiergeheimen of verdwenen erfstukken; dit was een kwestie van leven en dood. Arthur handelde met een verrassende snelheid voor een man van zijn leeftijd. Hij buukte zich over het houten kinderbedje van Jasper, greep het stevig bij de randen en trok het met een krachtige ruk opzij. Onder het bedje kwam een zwaar, vierkant eikenhouten luik tevoorschijn, verzonken in de betonnen fundering.

Aan het luik hing een zwaar roestvrijstalen ijzeren handvat. Arthur stak zijn hand uit en wenkte me gehaast.

‘Snel, help me!’ fluisterde hij dringend. ‘Voordat ze de valse achterwand ontdekken!’

Samen grepen we de koude metalen beugel vast. Met onze gecombineerde kracht trokken we het zware luik omhoog. Een ijskoude, muffe luchtstroom steeg op uit het duistere gat, doordrenkt met de geur van stilstaand water, vochtig mos en oude rioolbuizen. Onder ons leidde een steile, roestige ijzeren trap diep naar beneden in de zwartste duisternis.

‘Ga eerst!’ beval Arthur, terwijl hij me een duwtje in de richting van de opening gaf.

Ik aarzelde geen seconde. Ik klemde het houten kistje met de foto en de documenten onder mijn linkerarm, stak de vijfde sleutel diep in mijn jaszak en begon gehaast de ijskoude metallic sporten af te dalen. Arthur volgde me direct en trok het zware eikenhouten luik boven zijn hoofd weer dicht. Net op het moment dat het luik met een doffe klap in de sponning viel, hoorde ik boven ons de bakstenen muur met bruut geweld gedompeld worden. De kogelregens en de kreet van verbaasde mannen galmden dof door het dichte hout.

Aan de onderkant van het luik hoorde ik hoe Arthur een zware ijzeren grendel op zijn plek schoof. ‘Dat houdt ze hooguit een paar minuten tegen,’ ademde hij zwaar. ‘Vanaf hier moeten we snel zijn.’

We stonden op een smal, glad betonnen plateau. Mijn zaklamp bescheen een lange, gewelfde tunnel van oude rode bakstenen. Het water droop gestaag van het plafond en vormde kleine rimpelende plasjes op de grond. Dit was een van de vergeten ondergrondse gangenstelsels die Utrecht doorkruisen—oude catacomben en vluchtwegen die in de middeleeuwen en tijdens de Tweede Wereldoorlog door ambachtslieden en verzetsstrijders werden gebruikt.

‘Mijn vader... heeft hij dit gebouwd?’ vroeg ik vol verbazing, terwijl mijn stem echoëde tegen de natte stenen muren.

‘Cor heeft deze oude tunnel hersteld en verbonden met zijn werkplaats,’ legde Arthur uit terwijl we snel voortwaartsen door het donker. ‘Hij wist dat de mensen achter Bunker 104 hem vroeg of laat zouden komen halen. Dertig jaar lang heeft hij in het geheim aan deze uitgang gewerkt. Elke nacht als jij sliep, was hij hier beneden aan het graven en stutten.’

Een golf van schuldgevoel spoelde over me heen. Vijfenvijftig jaar lang had ik mijn vader beschouwd als een koude, afstandelijke man die geen liefde voor mij voelde. Ik dacht dat hij zich op de achtergrond hield omdat ik hem niet interesseerde. Maar de werkelijkheid was duizend keer wreder: hij hield afstand om mij te beschermen, om te zorgen dat ik nooit geassocieerd zou worden met zijn duistere verleden en het mysterie rond mijn tweelingbroer.

We liepen zeker tien minuten door de kille, doolhofachtige tunnel. Het pad hellend gestaag naar beneden. In de verte hoorde ik het kabbelende geluid van stromend water. Het geluid werd luider totdat we uitkwamen bij een ondergrondse werf aan de rand van de Stadsbuitengracht. De tunnel eindigde in een kleine, donkere gewelfde nis die net boven de waterlijn uitkwam.

Aan een dikke, geteerde paal lag een klein, matzwart houten motorbootje aangemeerd. Het bootje was met uiterste precisie gebouwd, afgewerkt met hetzelfde hoogwaardige eikenhout als de kinderbedjes in de geheime kamer. Cor’s handtekening als meester-timmerman was onmiskendbaar.

‘Stap in,’ zei Arthur terwijl hij het touw losmaakte.

Ik stapte voorzichtig in de giebelende boot en ging op het smalle houten bankje zitten. Arthur nam plaats bij de kleine, elektrisch aangedreven buitenboordmotor. Met een zacht gonsend geluid kwam de motor tot leven—vrijwel geluidloos, speciaal ontworpen om geen aandacht te trekken in de stilte van de Utrechtse nacht.

We gleden de duistere gracht op. Boven ons rezen de torenhoge silhouetten van de oude stadspanden op. De stad Utrecht sliep, onwetend van het drama dat zich onder hun voeten afspeelde. Maar onze rust was van korte duur.

Toen we de werf van de Oudegracht naderden, zag ik in de verte felrood licht opflitsen. Aan de kade stonden drie zwarte terreinwagens geparkeerd. Mannen in donkere tactische kleding verlichtten het water met krachtige zoeklichten.

‘Ze hebben de tunneluitgangen geblokkeerd!’ fluisterde ik in paniek. ‘Ze wisten dat we naar het water zouden vluchten!’

Arthur beet op zijn lip en knijpt het stuurwiel van het bootje stevig vast. ‘Er is één kans. De oude werfkelder onder de Maliebaan. Als we daar niet kunnen komen, halen ze ons in voordat we Den Dolder überhaupt bereiken.’

Op dat moment gleed een felle lichtstraal van een van de zoeklichten over ons bootje.

‘Daar zijn ze!’ schreeuwde een stem vanaf de kade. Direct daarna klonken de scherpe knallen van vuurwapens. Kogels ketsten met luid gekletter af op de stenen kade rondom ons en sloegen spetters water omhoog.

Arthur gaf vol gas. De elektrische motor jankte zachtjes en de boot schoot vooruit over het zwarte water. Ik dook diep weg in de boot, met mijn handen beschermend over het houten kistje gevouwen.

We rachten op een lage, stenen brug af. Maar net toen we onder de donkere boog van de brug wilden glijden, zag ik aan de andere kant van de tunnel een zwaar ijzeren valhek langzaam naar beneden zakken. Het hek sloot de passage naar de Maliebaan volledig af.

We zaten opgesloten. Vóór ons het zware ijzeren hek, achter ons de gewapende mannen die snel naderbij kwamen over de kade...