De gele lichtbundels sneden als vlijmscherpe zwaarden door de dichte mist van de Dennebossen. Het rauwe geluid van een zware dieselmotor galmde tussen de bomen. Degenen die Cor op de begraafplaats hadden overmeesterd, waren ons sneller op het spoor gekomen dan we hadden durven vrezen. Ze hadden het spoor van de grijze Volvo gevolgd.
‘Ze zijn er!’ roep ik uit, terwijl de paniek weer als een vurfzee door mijn aderen gierde. ‘Wat doen we?’
Arthur handelde bliksemsnel. Hij zette de auto in de achteruitversnelling, trapte het gaspedaal diep in en liet de Volvo met een doffe klap tegen de dichte struikgewas achter ons botsen. De verlichting van de Volvo bleef uit.
‘Uitstappen! Snel!’ schreeuwde Arthur.
We sprongen uit de auto en doken direct de kille, natte struiken in. Ik klemde het loden kistje met de chip en de vijfde sleutel strak tegen mijn borstkast. De dennennaalden prikten in mijn gezicht, en de ijskoude grond drenkte mijn broekspijpen binnen enkele seconden. We kropen op onze buik door het struikgewas in de richting van de kolossale, met mos bedekte betonnen muur van Bunker 104.
Achter ons stopte een grote, zwarte terreinwagen met een luid gekrijs van de remmen. Drie gewapende mannen in zwarte tactische kleding sprongen uit het voertuig. Hun zaklampen waaierden paniekerig over de verlaten Volvo.
‘Ze zijn te voet verder gegaan!’ schreeuwde de leider van het team—de man met de mechanische stem. ‘Zoek de omgeving af! Ze kunnen de ingang van de bunker niet geopend hebben zonder de chip!’
Arthur en ik bereikten de zijkant van de bunker. De stalen roldeur aan de voorkant was inderdaad dichtgelast en geblokkeerd met loodzware betonnen blokken. Maar Cor zou Cor niet zijn als er niet een geheime, ambachtelijk gebouwde ingang aanwezig was.
Arthur voelde met zijn trillende vingers langs de onderkant van een dikke, houten ventilatieschacht die half in de betonnen muur verzonken lag. De schacht zag er van buitenaf uit als een verrotte, nutteloze houten kist die door de tand des tijds was aangetast. Maar toen Arthur op een specifieke houten noest in het eikenhout drukte, klonk er een dof, mechanisch geklik.
Een gedeelte van het houten paneel klapte traag naar buiten open en onthulde een klein, verroest bedieningspaneel. Het paneel bevatte een gleuf voor de microchip en een cirkelvormig sleutelgat dat exact overeenkwam met de vijfde sleutel op mijn sleutelbos.
‘Hier,’ fluisterde Arthur gehaast, terwijl hij op de grond ging zitten om het zicht voor de achtervolgers te belemmeren. ‘Steek de chip erin, en daarna direct de sleutel draaien! Je hebt exact tien seconden voordat het alarm op het netwerk van De Vijf Eiken afgaat!’
Mijn handen trilden zo hevig dat ik de transparante glasplaat met de chip bijna liet vallen op de natte dennennaalden. Ik dwong jezelf tot kalmte. Ik dacht aan mijn vader, die zijn hele leven in stilte had geleden om mij een normaal bestaan te geven, en aan mijn tweelingbroer Jasper, die hier diep onder de grond al vijftig jaar op redding wachtte.
Ik schoof de chip voorzichtig in de smalle gleuf. Een zwak rood rood lichtje op het paneel begon zachtjes te knipperen. Direct daarna stak ik de zware koperen sleutel in het gat en draaide hem met een krachtige ruk naar rechts.
Klik-klak!
Een diepe, vibrerende trilling ging door de betonnen muur van de bunker. Het klonk als het ontwaken van een reusachtig ondergronds monster dat decennialang in slaap was gehouden. Een smal betonnen paneel aan de zijkant van de schacht schoof met een schurend geluid naar binnen en onthulde een steile, pikdonkere schacht die schuin naar beneden de diepte in liep.
‘Erin!’ snauwde Arthur.
Ik kroop als eerste door de smalle opening. De lucht die uit de schacht stroomde was extreem droog, geconditioneerd en rook sterk naar ozon, oude elektrische bedrading en roest. Arthur volgde me direct en trok het houten paneel aan de buitenkant weer dicht.
Net op het moment dat het paneel sloot, hoorde ik buiten de harde stem van de achtervolgers die dichterbij kwamen.
‘Hier is een vers spoor!’ schreeuwde iemand vlak buiten de muur. ‘Ze zijn binnen!’
We bevonden ons op een metalen rooster dat boven een diepe, doolhofachtige schacht hing. De wanden van de schacht waren bedekt met dikke bundels kabels die naar beneden liepen. Een flauw, noodverlichtingslichtje begon om de paar seconden rood op te flitsen—het teken dat het beveiligingssysteem van de bunker ons binnendringen had gedetecteerd.
‘Hoe ver moeten we naar beneden?’ vroeg ik terwijl ik me vastklemde aan de ijskoude metalen balustrade.
Arthur keek op de opgevouwen bouwtekening die ik hem overhandigde. ‘Niveau minus twee. Dat is ruim dertig meter onder het aardoppervlak. Maar we moeten voorzichtig zijn: Cor’s bouwtekening geeft aan dat de trappenschacht is uitgerust met oude, mechanische valstrikken om onbevoegden tegen te houden.’
We begonnen de steile metalen trap af te dalen. Elke stap op de roosters veroorzaakte een holle echo die diep door de schacht galmde. De temperatuur begon merkbaar te dalen. Naarmate we dieper afdaalden, veranderde de droge lucht in een ijskoude mist die onze adem in dikke witte wolkjes veranderde.
Toen we Niveau minus één bereikten, bleef ik plotseling staan.
De vloer van de gang voor ons was bedekt met honderden kleine, koperen draden die als een spinnenweb over de roosters getrokken waren. Aan de wanden hingen vreemde, ronde metalen kasten met zware eikenhouten afdekplaten—wederom de vakmanschap van Cor.
‘Raak de draden niet aan!’ waarschuwde Arthur. ‘Dat zijn drukgevoelige ontstekers voor de stikstofreservoirs. Als je er één raakt, wordt de hele gang binnen vijf seconden gevuld met vloeibare stikstof.’
We stapten voorzichtig over de draden heen, spier voor spier gespannen. Mijn hart zat in mijn keel. Één verkeerde beweging van mijn voet kon onze wanhopige zoektocht binnen een seconde beëindigen.
We bereikten het einde van de gang van Niveau minus één, waar een zware, hydraulische drukdeur de toegang tot Niveau minus twee blokkeerde. Op de deur stond in vervaagde rode letters geverfd:
COMPARTIMENT DELTA – GEAUTORISEERD PERSONEEL ALLEEN
Maar net toen ik de vijfde sleutel tevoorschijn wilde halen om het hydraulische systeem te activeren, hoorde ik boven ons in de schacht een luid kletterend geluid. Degenen die ons achtervolgden hadden de houten schacht aan de buitenkant opengebroken en kwamen via de metalen trap met stormachtige snelheid naar beneden gestormd!
‘Ze komen!’ schreeuwde ik.
Arthur keek naar het paneel naast de drukdeur. ‘Snel, de sleutel! Maar pas op: als de deur opengaat, verandert de luchtdruk in de kelderverdieping. We hebben maar een paar seconden om erdoorheen te glijden voordat het automatische sluitmechanisme in werking treedt!’
Ik stak de sleutel in de hydraulische bediening. Het metaal van de deur begon te sissen...






