De Sleutels van de Verleden Tijd
News Story

De Sleutels van de Verleden Tijd

5 weergaven

Het ijzeren valhek kwam met een doffe, meedogenloze klap neer in het zwarte grachtenwater. Dikke roestige spijlen blokkeerden de gehele doorgang onder de stenen brug. Het spatwater vloog omhoog en bedekte mijn gezicht met een ijskoude film. Achter ons werden de stappen van de mannen in tactische kleding met de seconde luider. Hun zaklampen sneden door de mist die over het water hing en transformeerden de donkere tunnel in een grimmig podium van licht en schaduw.

‘We zitten klem!’ schreeuwde ik tegen het geluid van de draaiende elektromotor in.

Arthur’s gezicht bleef ongewoon kalm, hoewel het zweet over zijn diepe rimpels stroomde. Hij keek niet naar het valhek vóór ons, maar strak naar de rechtermuur van de tunnel, waar een oude, verwaarloosde bakstenen boog half onder het wateroppervlak schuilging.

‘Cor heeft hier vijftig jaar geleden aan gebouwd toen hij de riolering van Utrecht herstelde!’ riep Arthur over zijn schouder. ‘Bukken!’

Hij trok aan een zware hendel aan de zijkant van de buitenboordmotor. De motor maakte een dof, krachtig geluid en de neus van het houten bootje dook omlaag. Met verhoogde snelheid stuurde hij ons recht af op de half ondergelopen bakstenen boog. Ik perste mezelf plat op de bodem van de boot, klemde het kistje tegen mijn borst en sloot mijn ogen.

Het hout van de boot schuurde met een angstaanjagend krijsend geluid langs de ruwe stenen van het gewelf. Scherpe baksteenfragmenten vielen op mijn rug. Heel even dacht ik dat de boot verbrijzeld zou worden en dat we in het ijskoude water verronken zouden raken, maar toen schoot het vaartuig plotseling door de engte heen.

We kwamen terecht in een smalle, droge ondergrondse spui-tunnel die steil omhoog liep. De boot liep met een harde schok vast op een modderige helling van grind en zand. De elektromotor viel stil. Het was overal om ons heen pikdonker en volkomen stil, afgezien van het vertrouwde, ritmische gedruppel van condenswater.

‘Iedereen heel?’ ademde Arthur zwaar in het donker.

‘Ik geloof van wel,’ antwoordde ik trillend. Ik knipte mijn zaklamp weer aan. Het meubilair en de muren van deze verborgen tunnel waren bedekt met een dikke laag stof die in geen decennia beroerd leek te zijn. ‘Waar zijn we?’

‘Onder de parkeerplaats van Begraafplaats Sint Barbara,’ zei Arthur terwijl hij moeizaam uit de boot stapte en zijn kleren afklopte. ‘Cor heeft deze route ontworpen zodat hij altijd onopgemerkt het graf van Elena kon bezoeken. Degenen die ons achtervolgen verwachten dat we via de weg naar Den Dolder vluchten. Ze zullen de grachten afzoeken, maar wij staan nu al op het heilige terrein.’

Ik klom achter hem aan de modderige helling op. Aan het einde van de tunnel bevond zich een ijzeren spiraaltrap die recht omhoog leidde naar een zwaar roestig luik. Arthur duwde met zijn schouder tegen het luik. Met een dof knarsend geluid week het roestige metaal en stroomde de ijskoude buitenlucht van de Utrechtse nacht ons tegemoet.

We kropen uit de opening en bevonden ons tussen de metershoge, overwoekerde taxushagen van Begraafplaats Sint Barbara. De wind huilde door de toppen van de oude dennenbomen en liet de kille regendruppels als ijsnaalden neerdoelen op onze gezichten. Het was een deprimerende, spookachtige plek. De tientallen grafstenen stonden als stille getuigen opgesteld in het maagdelijke duister.

‘Waar is het naamloze graf?’ fluisterde ik, terwijl ik angstvallig de donkere laantjes tussen de graven afspeurde.

Arthur haalde een klein papieren kompas tevoorschijn dat Cor hem jaren geleden had gegeven. ‘Achterin, bij de oude muur waar de vergeten slachtoffers van de cholera-epidemie liggen. Daar heeft Cor haar begraven, zonder steen, zonder naam, alleen gekenmerkt door een eikenhouten kruis met dezelfde inscriptie als op jouw sleutelbos.’

We baanden ons een weg door het dichte struikgewas. Mijn schoenen zakten diep weg in de drassige aarde. Elke schaduw van een monument leek op een menselijke gedaante die ons opstond te wachten. De paranoia verteerde mijn gedachten: wat als de gewapende mannen ons voor waren? Wat als Cor al hier was gearriveerd?

Toen we de achterste bakstenen muur van de begraafplaats bereikten, bleef ik abrupt staan.

In het zwakke schijnsel van de straatverlichting die over de muur viel, zag ik een vers gegraven berg aarde. Naast de kuil lag een houten spade, nat van de regen. Maar wat mijn aandacht het meeste trok, was de gedaante die op zijn knieën voor de open plek lag.

Het was een oude man met een deken om zijn schouders gewikkeld. Zijn kleding was doorweekt, zijn handen bedekt met zwarte aarde. Hij ademde zwaar en schokkerig, en zijn hoofd rustte tegen een klein houten kistje dat hij zojuist uit de grond had opgegraven.

‘Pap!’ schreeuwde ik zacht, en ik rende naar hem toe.

Ik liet me naast hem in het modderige gras vallen. Cor keek langzaam op. Zijn gezicht was doodsbleek, zijn lippen blauw van de onderkoeling, maar toen zijn ogen de mijne ontmoetten, zag ik een vonk van helderheid die ik in jaren niet bij hem had waargenomen.

‘Kind...’ fluisterde Cor met een rasperige stem. ‘Je bent gekomen. Je hebt de sleutels gevonden.’

‘Pap, waarom bent u uit het ziekenhuis weggegaan? U bent doodziek!’ riep ik, terwijl de tranen zich een weg baanden over mijn wangen. ‘Er zijn mannen naar u op zoek! Ze hebben de werkplaats vernield!’

Cor schudde langzaam zijn hoofd en greep met zijn modderige hand mijn pols vast. Zijn greep was verrassend stevig. ‘Het maakt niet meer uit wat er met mij gebeurt. Mijn tijd is om. Maar de klok van Jasper tikt ook af.’

Hij wees naar het kleine houten kistje dat hij uit het graf had gehaald. Het kistje was bedekt met een dunne laag lood om het tegen het vocht te beschermen.

‘Wat zit daarin, pap?’ vroeg ik trillend.

‘De toegangs-chip en de plattegrond van het onderste niveau van Bunker 104,’ hoestte Cor. ‘Elena heeft haar leven gegeven om die chip te verbergen. Degenen die Bunker 104 beheren—het consortium dat zichzelf De Vijf Eiken noemt—hebben al vijftig jaar gewacht tot ik zou bezwijken, zodat ze het geheim definitief kunnen wissen. Jasper leeft nog, kind. Maar hij zit opgesloten in een cryogene staat, als een levend bewijsstuk van hun duistere medische verleden.’

Op dat moment klonk er een doffe knal door de stilte van de begraafplaats.

Een kogel sloeg met een smak neer in het eikenhouten kruis vlak boven ons hoofd. Splinters hout vlogen door de lucht.

Uit de mist achter de taxushagen doken drie gestalten op, gekleed in zwarte tactische uitrusting. De voorste man hield een pistool met geluidsdemper op ons gericht.

‘Leg de doos neer, Cor,’ zei de man met een ijskoude, mechanische stem. ‘Je hebt het vijftig jaar volgehouden, maar het spel is uit.’

Cor keek me aan met een blik van absolute vastberadenheid. Hij duwde het loden kistje en de vijfde sleutel in mijn handen.

‘Renn, kind!’ schreeuwde hij met al de kracht die nog in zijn oude lichaam zat. ‘Laat mijn offers niet voor niets zijn geweest!’

Voordat ik kon reageren, stond Cor op en wierp zichzelf met volle overgave op de gewapende man...