Het sissende geluid van de hydraulische drukdeur sneed door de kille stilte van Niveau minus één. Zware stalen pennen trokken zich met een luid metalen geklak terug in het frame. De enorme ronde deur, zeker dertig centimeter dik, begon traag naar buiten te zwenken. Een enorme vlaag van ijskoude, bijna bevriezende mist stroomde uit het geopende compartiment en hulde Arthur en mij in een deken van witte damp. De temperatuur daalde in een fractie van een seconde tot ver beneden het vriespunt.
Boven ons in de trappenschacht klonken de haastige voetstappen van onze achtervolgers op de metalen roosters. Zaklampen flitsten door de mist boven onze hoofden.
‘Daar zijn ze! Schiet!’ schreeuwde de mechanische stem.
Kogels ketsten met luid kletterend geluid af op de betonnen wanden van de gang. Vonken vlogen door de lucht. Één van de kogels raakte de hydraulische pomp van de deur met een doffe klap. Olie spoot uit de leidingen, en het automatische sluitmechanisme raakte oververhit. De zware stalen deur begon met verhoogde snelheid terug te klappen.
‘Erin! Nu!’ schreeuwde Arthur, terwijl hij me met een krachtige duw door de nauwe opening van de zich sluitende deur werpt.
Ik rolde over de ijskoude, met rijp bedekte vloer van Compartiment Delta. Arthur dook achter me aan, op het nippertje ontkomend aan de loodzware stalen rand van de deur die met een enorme, finale klap in de sponning viel. De grendels sloegen automatisch vast. Aan de andere kant van de deur hoorde ik de verwoede pogingen van de gewapende mannen om de deur te rammen, maar het dichte staal gaf geen millimeter mee.
We waren opgesloten in het hart van Bunker 104.
Ik krabbelde overeind en veegde de rijp van mijn jas. Mijn adem veranderde in dikke, mistige wolken. De ruimte waarin we ons bevonden was kolossaal, hoog en ovaal van vorm. In tegenstelling tot de rest van de bunker, die uit ruw beton en roestig staal bestond, was Compartiment Delta afgewerkt met hoogwaardige eikenhouten wandpanelen. Cor had ook hier zijn vakmanschap toegepast: het koude, kille laboratorium was omgevormd tot een vreemde, bijna gewijde ruimte waar de geur van antiek hout en gedroogde lavendel de overhand had over de chemische stank van de apparatuur.
Midden in de ruimte stonden vier enorme, cilindrische glazen tanks. Drie van de tanks waren verbrijzeld en leeg; de glazen scherven lagen als een ijszee op de vloer verspreid, bedekt met een dikke laag stof en spinnenwebben. De apparatuur rondom die drie tanks was zwartgeblakerd door een oude brand—het strakke stempel van het drama dat zich hier vijftig jaar geleden had afgespeeld.
Maar de vierde tank stond nog rechtop.
De vierde tank was intact. Dikke kabels en koperen leidingen liepen van de bovenkant van de cilinder naar een grote, mechanische generator die zachtjes, ritmisch bromde. Het glas van de tank was bedekt met een dikke laag ijskristallen, waardoor de inhoud aan het zicht werd onttrokken.
Met trillende benen liep ik naar de vierde tank toe. Mijn hart klopte in mijn keel. Ik veegde met mijn gehandschoende hand een cirkel schoon op het bevroren glas.
Wat ik daarachter zag, beneam me volledig de adem.
In het melkachtige, transparante vloeistof zweefde de gedaante van een volwassen man. Hij droeg een eenvoudig wit medisch gewaad. Zijn gelaatstrekken waren bizar vertrouwd: hij had dezelfde kaaklijn als mijn vader, exact dezelfde neus als ik, en zijn haar was donkerblond, zonder een spoor van grijs. Hij zag eruit alsof hij vijfentwintig jaar oud was—alsof de tijd voor hem vijftig jaar geleden was stilgezet.
Op een houten plaatje onderaan de tank stond dezelfde naam gegraveerd als op het kinderbedje in de geheime kamer:
JASPER – SUBJECT 02
‘Hij... hij leeft,’ fluisterde ik wankel, terwijl ik mijn hand tegen het ijskoude glas drukte. ‘Arthur, hij beweegt niet, maar de monitor geeft een signaal!’
Arthur kwam naast me staan en keek naar een oud, analoog hartscherm dat op het houten bedieningspaneel was gemonteerd. De groen oplichtende lijn vertoonde een extreem trage, maar gestage hartslag: precies vier slagen per minuut.
‘Hij bevindt zich in een diepe, synthetische hybernatietoestand,’ legde Arthur uit met tranen in zijn ogen. ‘Cor heeft de afgelopen vijftig jaar in het geheim de stroomvoorziening en de voedingsstoffen van deze specifieke tank onderhouden. Hij kwam hier elke maand naartoe om de koperen filters te vervangen en de lavendelolie toe te voegen aan het luchtcirculatiesysteem om de bacteriën te doden.’
‘Waarom heeft Cor hem nooit wakker gemaakt?’ vroeg ik vol onbegrip. ‘Waarom heeft hij hem hier al die tijd alleen gelaten?’
Arthur wees naar een complex mechanisme aan de zijkant van de tank. Er zat een dubbel sleutelgat in, verbonden met een zware ijzeren hefboom en een digitale klok die op nul stond.
‘Omdat het ontwaakproces niet zomaar in gang gezet kan worden,’ zei Arthur zacht. ‘Het injecteren van het opwarmingsserum vereist een specifieke medische procedure en twee sleutels die tegelijkertijd gedraaid moeten worden. Cor had slechts één helft van de code. De andere helft... zat in het loden kistje dat hij uit het graf van Elena heeft gehaald.’
Ik haalde de microchip en het papierwerk uit het loden kistje tevoorschijn. Tussen de vergeelde documenten vond ik een klein, zilveren sleuteltje met een ingegraveerd nummer: 02.
Ik keek naar de vijfde sleutel van mijn vader, en toen naar het zilveren sleuteltje van mijn moeder. De twee puzzelstukken van een vijftig jaar oud drama waren eindelijk bij elkaar gebracht.
Maar net toen ik de twee sleutels in het bedieningspaneel van de tank wilde steken, begon de zware stalen drukdeur achter ons hevig te trillen.
Een felblauw snijbranderslicht verscheen in de naad van de deur. De mannen van De Vijf Eiken waren begonnen met het doorsnijden van het staal. Vonken regenereerden door de ruimte, en het geur van gesmolten metaal vulde de ijskoude lucht van Compartiment Delta.
‘Ze breken erdoorheen!’ schreeuwde Arthur. ‘Je hebt hooguit drie minuten om de procedure te starten, anders nemen ze de tank over!’
Mijn handen beefden hevig toen ik de sleutels in de juiste gaten stak...






